Categorie archief: Dichter in verzet
Een eenvoudige verklaring
Goran Simić
.
De Bosnische schrijver en dichter Goran Simić (1952) was in voormalig Joegoslavië redacteur van verschillende literaire tijdschriften, Hij schreef essays, toneelstukken, hoorspelen en gedichten. Hij was een van de oprichters van de PEN afdeling in Bosnië-Herzegovina. Zijn werk werd vertaald in negen talen. Tijdens het beleg van Sarajevo woonde hij in de stad. In 1995 kon hij dankzij de Freedom to Write Award van PEN zich vestigen in Toronto in Canada. In 2013 keerde hij met zijn gezin terug naar Sarajevo.
In 1998 verscheen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken ‘Reflections on the Universal Declaration of Human Rights’. In een vertaling van Marijke Vromans verscheen uit dit werk het gedicht ‘Een eenvoudige verklaring’ in het boek ‘Ons gevoel van vrijheid’ Verhalen, gedichten en kunst voor Amnesty International, uit 1999, samengesteld door Daan Bronkhorst.
.
Een eenvoudige verklaring
.
Ik ben een pruim. En jij bent een appel.
Lange tijd lagen we in deze mand
gemaakt van dode takken.
En samen ruiken we lekker naar een geur
die we elkaar verlenen.
Alleen wij kunnen zeggen welke wie toebehoort.
.
Ik heb nachtmerries dat ik op een dag zal ontwaken
en alleen jouw geur rest,
die welke ik in me draag.
.
Daarom,
als ik begin je te hinderen
bepraat dan alsjeblieft de p[eer niet om
zijn rotte rug naar mij te keren.
Dat zal me naar boven werken in de mand.
Onthoud
dat de hand die naar fruit reikt
soms niet aan de smaak denkt.
Wacht tot ik verschrompel
omdat ik mét de geur zal verschrompelen
die overblijft na jou.
.
Alsjeblieft.
.
Roeien
Anne Sexton
.
Anne Sexton (1928 – 1974) was een belangrijke Amerikaanse dichter die in 1967 de Pulitzerprijs voor Poëzie won met de bundel ‘Live or Die’ uit 1966. Anne Sexton wordt als dichter gerekend tot de ‘confessional poets’, sterk autobiografisch schrijvend, steeds sterk haar vrouwelijke identiteit benadrukkend, met blootlegging van de meest intieme details uit haar leven. In mijn zoektocht naar informatie over haar las ik ergens dat zij ‘een persoon was zonder huid, geen beschermende laag, alleen een massa blootliggende zenuwcellen, ze voelde elke pijn en kon het beschrijven’. In de jaren ’40 van de vorige eeuw was ze een tijdje fotomodel en in de jaren ’50 leed ze aan anorexia en manische depressiviteit. Haar psychiater stimuleerde haar poëzie te gaan schrijven.
Ze volgde workshops aan de Universiteit van Boston bij de dichters John Holmes en Robert Lowell en kreeg haar gedichten gepubliceerd in vooraanstaande tijdschriften als The New Yorker, Harper’s Magazine en Saturday Review. Ze was bevriend met dichters Sylvia Plath en W.D. Snodgrass, die beiden grote invloed hadden op haar werk. Haar bundels hadden in de jaren zestig veel succes.
Na de zelfmoord van Sylvia Plath schreef ze ook steeds vaker over de vraag of dat ook voor haar niet de beste keuze zou zijn. Sexton had vanaf 1956 al meerdere keren een suïcidepoging gedaan. In 1974 pleegde ze uiteindelijk zelfmoord. Sexton zette de thema’s van haar dichtbundels zorgvuldig uiteen. Eén verzameling die ze maakte, werd gepubliceerd na haar dood in 1975 en onderzoekt het thema van haar zoektocht naar God. De titel is ‘The Awful Rowing Toward God’. De poëzie in dit boek voelt, net als de dichter in haar leven, elke pijn in die zoektocht naar God. Sexton deed de laatste controle over de gedichten in dit boek (voor dat ze gepubliceerd werden) op de dag van haar zelfmoord.
In het bijzonder vermakelijke boek ‘Olijven moet je leren lezen’ van Ellen Deckwitz stelt ze dat je het gedicht ‘Rowing’ (en Briar Rose) zeker niet mag missen als je poëzie van Anne Sexton wil lezen. Reden genoeg om ‘Rowing’ het eerste gedicht uit de bundel ‘The Awful Rowing Toward God’ hier met jullie te delen.
In het gedicht volg je de dichter gedurende haar jeugd, volwassenheid, tot op middelbare leeftijd. In elk van deze stadia erkent ze de negatieve kanten in haar leven, maar benadrukt ze ook hoe ze bleef roeien, in de hoop een soort van geluk te bereiken, en hopelijk God, die haar depressie en verdriet in zijn handen kon nemen en het uit haar hart kon verwijderen.
.
Rowing
.
A story, a story!
(Let it go. Let it come.)
I was stamped out like a Plymouth fender
into this world.
First came the crib
with its glacial bars.
Then dolls
and the devotion to their plastic mouths.
Then there was school,
the little straight rows of chairs,
blotting my name over and over,
but undersea all the time,
a stranger whose elbows wouldn’t work.
Then there was life
with its cruel houses
and people who seldom touched-
though touch is all-
but I grew,
like a pig in a trenchcoat I grew,
and then there were many strange apparitions,
the nagging rain, the sun turning into poison
and all of that, saws working through my heart,
but I grew, I grew,
and God was there like an island I had not rowed to,
still ignorant of Him, my arms, and my legs worked,
and I grew, I grew,
I wore rubies and bought tomatoes
and now, in my middle age,
about nineteen in the head I’d say,
I am rowing, I am rowing
though the oarlocks stick and are rusty
and the sea blinks and rolls
like a worried eyebal,
but I am rowing, I am rowing,
though the wind pushes me back
and I know that that island will not be perfect,
it will have the flaws of life,
the absurdities of the dinner table,
but there will be a door
and I will open it
and I will get rid of the rat inside me,
the gnawing pestilential rat.
God will take it with his two hands
and embrace it.
As the African says:
This is my tale which I have told,
if it be sweet, if it be not sweet,
take somewhere else and let some return to me.
This story ends with me still rowing.
.
Sofia Parnok
Eerste Russische openlijk lesbische dichter
.
Sofia Yakovlevna Parnok (1885 – 1933) was een Russische dichter , journalist en vertaler. Vanaf de leeftijd van zes jaar schreef ze poëzie in een stijl die heel anders was dan die van de overheersende dichters van haar tijd, en in plaats daarvan onthulde ze haar eigen gevoel voor haar Russische en haar Joodse identiteit, en kwam ze naar buiten als lesbienne. Naast haar literaire werk werkte ze als journalist onder het pseudoniem Andrei Polianin. Ze is aangeduid als “de Russische Sappho “, zoals ze openlijk schreef over haar zeven lesbische relaties.
Na haar studie aan het Gymnasium afgerond te hebben, verhuisde Parnok in 1905 naar Genève en probeerde muziek te studeren, maar had geen echte drive en keerde snel terug naar Moskou. Om afstand te nemen van de controle van haar vader en haar financiële afhankelijkheid van hem, publiceerde ze in 1906 haar eerste gedichtenbundel onder het pseudoniem Sofia Parnok en trouwde ze in 1907 met Vladimir Volkenstein . Binnen twee jaar strandde het huwelijk en ging ze aan de slag als journaliste.
Vanaf 1913 had Parnok uitsluitend relaties met vrouwen en gebruikte die liefdesrelaties om haar creativiteit te voeden . De opeenvolgende relaties met vrouwelijke muzen uit de kunst en wetenschappen, inspireerde haar ertoe vijf dichtbundels te publiceren en verschillende libretto’s voor opera te schrijven, voordat ze in 1933 aan een hartziekte overleed. Na 1928 mocht Parnok haar poëzie niet meer publiceren, en haar werk werd grotendeels vergeten tot na de Sovjetperiode. In 1979 werd voor het eerst haar verzameld werk uitgegeven.
.
Een spin heeft mijn icoon vergrendeld
En elk gebed is dood. Mijn hoofd
Zakt in de kussens neer, ellendig,
In één dag van ’t verstand beroofd.
.
Hij zal, als hij mij mee komt nemen,
Niet als muziek zijn, niet als rook,
Niet als een zwartgewiekte demon,
Niet als bezielde stilte ook, –
.
Maar nee, gewoon: een hond gaat janken,
Een auto giert in rauwe klanken,
Een rat glipt naar zijn hol. O ja!
Ik – die naar goed noch kwaad ooit streefde –
Zal de muziek waarbij ik leefde
Ook horen als ik sterven ga.
.
Gevangenisdeuren kunnen alleen van buitenaf geopend worden
Gil-won Lee
.
Van Job Degenaar, president van het PEN Emergency Fund kreeg ik de poëziebundel ‘The Prison Doors Can Only be Opened from the Outside’ van Gil-won Lee. Daarover zo meer. PEN (afkorting van Poets, Essayists, Novelists / Playwrights, Editors en Non Fiction Writers), is een wereldwijde organisatie van en voor schrijvers, die de vrije verspreiding van literatuur en de vrijheid van expressie hoog in het vaandel heeft. Er zijn meer dan 140 Pen-centra in ruim 100 landen. Het hoofdkantoor is gevestigd in Londen.
Het PEN Emergency Fund is een in Nederland gevestigd, wereldwijd opererend noodfonds, in 1971 opgericht door de schrijver A. den Doolaard. Het ondersteunt ernstig vervolgde schrijvers en journalisten, al dan niet in ballingschap, met een eenmalige toelage waarmee zij zich (en in bijzondere gevallen hun familie) in een noodsituatie kunnen handhaven, bijvoorbeeld wanneer ze acuut het land moeten ontvluchten of na mishandeling dringend medicatie nodig hebben.
Gil-won Lee is dichter. En hij publiceerde verschillende gedichtenbundels, ook ontving hij de “Presidentiële Koreaanse Cultuur- en Kunstprijs”, “de Cheon Sang-byeong Poetryprijs” en “de Yun Dong-ju Literatuurprijs. Op basis van de vele gesprekken die Lee voerde met Noord Koreanen die dat land konden ontvluchten naar zuid Korea, schreef hij de gedichten in de bundel ( in het Koreaans en het Engels) ‘The Prison Doors Can Only be Opened from the Outside’. Hij schreef deze bundel in eerste instantie voor zijn landgenoten (Zuid Koreanen) die maar heel weinig weten van de omstandigheden in hun buurland.
De bundel is opgedeeld in 5 hoofdstukken met titels als: The Prison Doors Can Only be Opened from the Outside, A Daily Journal of a Concentration Camp, Bear, Poison en The Trauma of the Korean War. Met name het hoofdstuk over het leven in een concentratiekamp is heel confronterend en indringend, zoals dit stuk uit het openingsgedicht ‘The Angel of Death’ laat zien:
.
Three years in a forced labor camp.
They say it will fix my rotten spirit
My head is used to whipe the floors
But the hardest thing to endure is
Hunger.
.
De gedichten over de gruwelijkheden in de kampen (martelingen, verkrachtingen) zijn hartverscheurende ooggetuigenverslagen. Misschien niet altijd even poëtisch maar door hun inhoud blijven ze je bij. In het hoofdstuk ‘Bear’ staan gedichten waarin Zuid Korea kritisch wordt beschreven, het consumentisme, de onwetendheid, het wegkijken. In het hoofdstuk ‘Poison’ gedichten over de Noord Koreanen die vluchten uit Noord Korea naar China en Zuid Korea, de ontberingen en het onbegrip en de problemen waarmee ze worden geconfronteerd als ze eenmaal in Zuid Korea zijn aanbeland. In het laatste hoofdstuk gedichten over de Koreaanse oorlog, de trauma’s van die oorlog en wat het nog steeds doet met de twee landen.
Al met al geen bundel om even voor je plezier te lezen maar wel een bundel die je aan het denken zet, die Noord Koreanen een stem geeft en hopelijk (in ieder geval bij Zuid Koreanen) een verandering in denken over gevluchte Noord Koreanen teweeg brengt. Uit het hoofdstuk ‘Poison’ het gedicht ‘Butterfly’.
.
Butterfly
.
The dew caught in the web of a spider
Blinded by sunlight
A butterfly
Tries to sit on that jewel-like dew
Tries to sit, but gets caught in the web
The more it struggles, the more the web tightens
It becomes a butterfly that can no longer fly
A butterfly hat can only longer fly
Within a forest that nobody sees
On a spring morning
.
Oh, the humanity
Oh, the humanity
.
National Justice Museum
Leanne Moden
.
Het leuke van een dagelijks blog schrijven over poëzie is dat je (ik) eigenlijk altijd ‘aan’ sta als het poëzie betreft. Of ik nu op straat ergens een gedicht in de openbare ruimte tegenkom, in een artikel of interview iets lees over poëzie, in een stapel afgedankte boeken een dichtbundel ontdek of ergens in een buitenland ben en daar op poëzie of een gedicht stuit, ik zal er altijd iets mee doen.
Ik schrijf dit omdat ik, bij het zoeken naar een dichtbundel in mijn boekenkast, een A4 papier tegenkom met daarop een gedicht en een afzender (wie dit papier heeft vervaardigd). Het leuke is dat ik niet meteen wist hoe ik hieraan kom. De afzender is het National Justice Museum. Daar moest ik even op zoeken, dat het in Engeland is, dat is duidelijk, en ik weet wanneer ik in Engeland was maar waar dit museum zich nu precies bevond was nog even een verrassing. Het blijkt in Nottingham te zijn waar ik inderdaad een paar jaar gelden was. Toen ik de foto’s zag wist ik ook weer precies waar het was. Het National Justice Museum is zeer de moeite waard.
Het museum is gehuisvest in een voormalig Victoriaanse rechtszaal, gevangenis en politiebureau en is daarom een historische plek waar een persoon kon worden gearresteerd, berecht, veroordeeld en geëxecuteerd. De rechtszalen dateren uit de 14e eeuw en de gevangenis uit ten minste 1449. Op de muren van de binnenplaats zijn de inscripties van de gevangenen en de daar ter dood veroordeelden (die daar ook geëxecuteerd werden) te lezen.
Tegenwoordig is deze rechtszaal, gevangenis en politiebureau dus een museum en in de lobby van het museum vond ik deze A4 met daarop het gedicht ‘Hope’ van Poet in Residence Leanne Moden.
Leanne Moden is een dichter, performer en slampoet gevestigd in Nottingham. Ze trad op tijdens evenementen in het VK en Europa, waaronder recente sets op WOMAD Festival, en het TEDx WOMEN-evenement aan de UCL in 2016. Ze was halve finalist bij de BBC Edinburgh Fringe Slam in 2019. Ze werkt momenteel aan haar eerste volledige theatershow, Skip, Skip, Skip, die over identiteit gaat, muziek en verbondenheid.Haar tweede gedichtenbundel, ‘Get Over Yourself’, werd in 2020 gepubliceerd.
Het gedicht ‘Hope’ is geïnspireerd op Oscar Wilde’s gedicht ‘The Ballad of Reading Gaol’. Dit gedicht van Wilde, schreef hij in ballingschap in Berneval-le-Grand (Frankrijk) , nadat hij uit de gevangenis in Reading Gaol was vrijgelaten op 19 mei 1897. Wilde had opgesloten gezeten in Reading Gaol, na te zijn veroordeeld
voor ‘grove onfatsoenlijkheid met andere mannen’ in 1895 en veroordeeld tot twee jaar dwangarbeid in de gevangenis.
.
Hope
.
Hope is a patch of sky
reflected through shatterproof
glass.
.
Time sunk into wet concrete,
and countless locks –
clicked closed –
between then and now.
.
Worlds shrink to the size of cell.
Days measured in
sun-across-sky shadows
thrown against brick walls;
.
radio programmes,
visiting hours,
the smell of other men.
.
Time shifts,
slips through silent hours
like moonlight
through barbed wire…
.
until it’s time to start again
renew, reflect,
embrace the day.
.
It is easy to ruminate on emptiness
in these crowded places
.
when iron bars
creak cold lullabies
and bleach-stink stings
like thoughts of home.
.
Remember, no matter
how long it takes
there is still a spark of hope:
a patch of sky reflected
through shatterproof glass;
.
The scent of fresh air;
a distant open door.
.
Het bloed bruist
Peter Goossens
.
De uit Dendermonde afkomstige dichter en kunstschilder Peter Goossens (1957) debuteerde in 2015 met de bundel ‘Madrigalen van strijd en liefde’. In 2017 volgde de bundel ‘Als’ en in 2020 de bundel ‘Laisser-allez’. Ik ken Peter van een optreden bij Ongehoord! en van zijn eerdere bundels Als en Banalitiet van de liefde. Nu heeft Peter opnieuw een dichtbundel gepubliceerd met de titel ‘Het bloed bruist’.
Op het eerste gezicht is dit opnieuw een bundel waar zorg aan is besteed, mooie vormgeving, met een omslag aan de binnenzijde met een goede foto van Peter en mooi stevig papier. Er is geen opdruk op de rug, wat het terugvinden van de bundel bemoeilijkt in een boekenkast. Sla ik de bundel open dan valt me, helaas opnieuw, op dat alle gedichten gecentreerd in de bundel zijn opgenomen en dat de gedichten erg hoog op de pagina beginnen. Ik vind gecentreerde gedichten niet mooi en storend bij het lezen. Ik zie het vaker, vrijwel altijd bij in eigen beheer uitgegeven bundels maar ook uitgeverij Heimdall maakt zich er dus schuldig aan. Voor mij, en dit is mijn particuliere mening, ogen gecentreerde gedichten in een bundel niet professioneel.
Maar genoeg over de vorm, laten we naar de inhoud gaan. Tegenwoordig is het bij veel jonge (en dan vooral vrouwelijke) dichters populair om in hun poëzie een verhaaltje te vertellen. Zo’n verhaaltje hoeft geen urgentie te hebben, het kan overal over gaan (wat meestal het geval is) en dan wordt er taal- en spelenderwijs een draai aan gegeven. Bij Peter is dit geenzins het geval. De poëzie van Peter is rauw, cynisch soms en direct. Uit de gedichten spreekt een zekere teleurstelling en kritiek op de wereld om hem heen.
In zijn poëzie worden ook verhalen verteld maar op een meer prozaïsche manier, het poëtische van de taal is ondergeschikt in zijn poëzie. De lezer wordt ook regelmatig direct aangesproken; (tussen) zinnen als ‘Wat zal het’, ‘Je weet wel’, ‘U weet wel’ en ‘Maar laten we het even anders uitdrukken’ geven aan dat hier gesproken wordt met de lezer. Er is in de hele bundel een bepaalde urgentie om de lezer deelgenoot te maken, aan te spreken, te waarschuwen ook. Alsof je naast hem zit en hij tijdens een voordracht naar jouw kant opkijkt en het tegen je zegt.
De lange gedichten gaan over het leven, de dood, de maatschappij, de politiek, nachtelijke seksuele escapades en zijn soms heel expliciet (zoals in het gedicht ‘Ssssssst …’) zonder echt banaal te worden. Zoals de uitgever schrijft: “De bundel is een meer filosofische benadering over maatschappij en mens, over eenzaamheid en hoe in lelijkheid ook schoonheid zit. Er worden geen onderwerpen uit de weg gegaan.”.
Sommige keuzes begrijp ik niet helemaal, zoals het gebruik van Duitse zinnen in het gedicht ‘Der Tod ist ein Monolog’ maar de gedichten zitten vol gedachten en meningen en zijn daardoor, ondanks dat er poëtisch taal-technisch wat weinig te genieten valt, zeker de moeite waard van het lezen. Maar uitgesproken komen deze gedichten nog meer tot zijn recht. Een aantal gedichten heb ik tijdens een voordracht van Peter mogen beluisteren bij ‘De Groene Fee’ in Breda afgelopen jaar, en dan komt de poëzie van Peter pas echt tot zijn recht.
Voor mij is het op één na laatste gedicht in de bundel ‘Handen’ het meest veelzeggend over Peter de inhoud van de bundel, daarom hier dit gedicht maar dan niet gecentreerd.
.
Handen
.
Ooit waren mijn handen nog jong
onbezoedeld.
Ze streelden over lichamen
en maagdelijk witte bladen.
Ze streelden de wind
verdreven de bitterste schimmen.
Ze streelden zichzelf.
.
Het waren net keurige bloemblaadjes
verkenden de bedding
lieten ogen tranen.
Ze boden herinneringen
vervaagden stoffige spinnenwebben.
.
Op een dag werden we wakker
en leken het vreemdelingen.
Ze zagen er bezoedeld uit
rimpelig, ruw, aangeslagen, gekloofd.
.
Het zijn portretten
en ze redden zich.
Beter nog
het zijn gezegende handen.
.
Anthem for Doomed Youth
Wilfred Owen
.
Vorige week schreef ik over het gedicht dat Frans Budé schreef over de dag dat Wilfred Owen (1893- 1918) stierf. Aan het eind van het gedicht staat een referentie aan het gedicht ‘Anthem for Doomed Youth’. Omdat dit gedicht niet te vinden is op mijn blog, en ik dat een omissie vind, hier het gedicht met enige duiding.
Het gedicht werd geschreven tussen september en oktober 1917, toen Owen patiënt was in het Craiglockhart War Hospital in Edinburgh waar hij lag te herstellen van shell shock. Het gedicht is een klaagzang voor jonge soldaten wier levens verloren gingen in de Eerste Wereldoorlog. Het gedicht geeft ook commentaar op Owen’s afwijzing van zijn religie in 1915.
In het hospitaal leerde Owen een andere dichter Siegfried Sassoon kennen met wie hij bevriend raakte . Owen vroeg om zijn hulp bij het verfijnen van de ruwe schetsen van zijn gedichten. Het was Sassoon die het begin van het gedicht “anthem” noemde en ook ‘death’ in het oorspronkelijke artikel verving door ‘doomed’; het beroemde epitheton van ‘patient minds’ is ook een correctie van hem. De gewijzigde kopie van het manuscript, in het handschrift van beide mannen, bestaat nog steeds en is te vinden in het Wilfred Owen Manuscript Archive op internet.
Anthem for Doomed Youth
.
What passing-bells for these who die as cattle?
— Only the monstrous anger of the guns.
Only the stuttering rifles’ rapid rattle
Can patter out their hasty orisons.
No mockeries now for them; no prayers nor bells;
Nor any voice of mourning save the choirs,—
The shrill, demented choirs of wailing shells;
And bugles calling for them from sad shires.
.
What candles may be held to speed them all?
Not in the hands of boys, but in their eyes
Shall shine the holy glimmers of goodbyes.
The pallor of girls’ brows shall be their pall;
Their flowers the tenderness of patient minds,
And each slow dusk a drawing-down of blinds.
.














