Site-archief

Blaka Oema

Hilli Arduin

.

Hilli Arduin is geboren in Paramaribo (1950) maar ze bracht haar jeugd door op Curaçao. Om verder te studeren verhuisde ze op 21-jarige leeftijd naar Nederland. In Nederland studeerde ze af in maar liefst 5 HBO- en 2 doctoraalstudies. Van beroep is Hilli Arduin klinisch orthopedagoog en psycholoog. Naast haar drukke bezigheden heeft ze schrijven als hobby. Maar ook haar hobby neemt ze zeer serieus.

Zo schreef ze ‘De donkere tranen van zijn moeder’ dat gaat over haar oudste zoon, die op 21-jarige leeftijd aan sarcoïdose (een zeldzame ziekte van het afweersysteem) overleed. Maar ze schreef ook het kinderboek ‘Ik neem je mee’ waarin de trans-Atlantische slavernij wordt belicht. De verhalen in dit boek worden steeds ingeleid met een gedicht.

Ook is Arduin verhalenvertelster. Dit bracht haar naar landen als Zuid-Amerika, Amerika, Canada, Suriname, Nederland en België. In 2018 publiceerde ze een ‘Kindergedichtenbundel’. In 2011 verscheen van haar hand ‘Wie ben ik / Ta ken mi ta’ en uit die bundel komt het gedicht ‘Blaka Oema’ (kleine heester met groene bloemen).

.

Blaka Oema

.

Bijzonder was de dag waarop

de zon

de flonkerster

de volle maandag

de morgendauw

haar baarden.

.

Fluweelzachte huid

gekleurd door

bruinige tinten,

rimpelloos en strak.

Met afgemeten precisie

creëerden ze haar gelaat.

De donkere ogen

de platte neus

de volle lippen

pasten als puzzelstukjes in elkaar.

Uitstulpende rondingen

voor, achter, links en rechts

vertolkten haar sensualiteit.

Donzig pluizig haar

drapeerde haar hoofd

in vallende lokken.

.

Eigenzinnig en trots

bewandelt zij

in ritmische cadans

haar weg.

.

Ze gaat.

Kijkt om.

En gaat weer verder.

.

Mooi blaka oema.

.

 

Wat de voorzitter tegen Tom zei

Basil Bunting

.

Op zoek naar stromingen binnen de poëzie kwam ik een mij nog onbekende stroming tegen; Het Objectivisme. Objectivistische poëzie is een stroming in de Amerikaanse poëzie, vooral prominent in de jaren ’30 van de vorige eeuw, waarbij dichters de nadruk leggen op een directe, concrete beschrijving van de werkelijkheid, zonder al teveel nadruk op abstracte ideeën of emoties. Ze gebruiken een eenvoudige, vaak zakelijke taal en richten zich op het presenteren van objecten en gebeurtenissen zoals ze zijn, zonder ze te interpreteren of te symboliseren. Bekendste dichters die tot deze stroming behoren zijn Louis Zukofsky, William Carlos Williams, Charles Reznikoff.

Een van Engelse dichters uit die stroming was de modernistische dichter Basil Cheesman Bunting (1900-1985). Zijn reputatie werd gevestigd met de publicatie van het lange gedicht ‘Briggflatts’ in 1966, algemeen beschouwd als een van de belangrijkste prestaties van de modernistische traditie in het Engels. Bunting had een levenslange interesse in muziek, wat hem ertoe bracht de sonische kwaliteiten van poëzie te benadrukken, met name het belang van het hardop voorlezen van poëzie: hij was een volleerd voorlezer van zijn eigen werk. Zijn poëzie werd gepubliceerd in de Objectivist- uitgave van ‘Poetry magazine’, in de ‘Objectivist Anthology’ en in Ezra Pounds ‘Active Anthology’.

Bunting debuteerde in 1930 met in een eigen beheer uitgegeven bundeltje met de Latijnse titel ‘Redimiculum Matellarum’ (Een ketting van kamerpotten) een pamfletcollectie van dertien gedichten geschreven tussen 1925 en 1929. Zijn debuut als publicerend dichter kwam veel later in 1950 toen de bundel ‘Poems’ verscheen. In 1967 publiceerde Bunting de bundel ‘What the chairman Told Tom’. Uit die bundel vertaalde ik het titelgedicht.

.

Wat de voorzitter tegen Tom zei

.

Poëzie? Het is een hobby.
Ik rijd modeltreinen.
Meneer Shaw daar fokt duiven.

Het is geen werk. Je zweet niet.
Niemand betaalt ervoor.
Je zou reclame kunnen maken voor zeep.

Kunst, dat is opera; of repertoire –
The Desert Song.
Nancy zat in het refrein.

Maar om twaalf pond per week te vragen –
getrouwd, toch? –
je durft wel.

Hoe zou ik een busconducteur
in de ogen kunnen kijken
als ik je twaalf pond betaalde?

Wie zegt trouwens dat het poëzie is?
Mijn tienjarige dochter
kan het én rijmen.

Ik krijg drieduizend pond, onkostenvergoeding,
een auto, vouchers,
maar ik ben accountant.

Ze doen wat ik ze zeg,
mijn bedrijf.
Wat doe jij?

Vieze woordjes, vieze lange woorden,
het is ongezond.
Ik wil me wassen als ik een dichter ontmoet.

Het zijn communisten, verslaafden,
allemaal delinquenten.
Wat jij schrijft is rotzooi.

Meneer Hines zegt het, en hij is een schoolleraar,
hij zou het moeten weten.
Ga werk zoeken.

.

Gedicht op een klok

Kevin Clark

.

Zo nu en dan ga ik (nog eens) op zoek naar gedichten op plaatsen waar je ze niet zo snel verwacht. Al moet ik onderhand toegeven dat gedichten op werkelijk alle denkbare plekken zijn aangebracht. Als je de rubriek ‘gedichten op vreemde plekken’ terugleest kom je vele (meer dan 100) voorbeelden tegen van gedichten op auto’s, boten, lichaamsdelen, gebruiksvoorwerpen en ga zo maar door.

Nu vond ik een nieuw voorbeeld van een gedicht op de wijzerplaat van een klok. Het gedicht is van dichter en essayist Kevin Clark (1950), Poet Laureate van San Luis Obispo County, Californië in 2020. Gedecoreerd dichter met vele prijzen, schrijver van ‘The Mind’s Eye’ A Guide to Writing Poetry (2007) en dichter van verschillende dichtbundels. Het gedicht op de klok vond ik niet terug maar wel een ander gedicht van Clark uit 2003 getiteld ‘Parallel Paths’.

.

Parallel Paths

.

Today you’re lucky, in love with your wife
for the first time in weeks, both of you
out for a walk in the overgrown park.
No need to hold hands
like that sadly animate couple
you can see through a clearing
on a parallel path.
She lets
go and turns from him. You notice
how in their weather misery hangs
faintly familiar in the cold shadows.
As if having recently unlearned
the habit of empathy, the sky
over their forest seems to laugh
at whatever they say, a woman
turning from a man, their dog
flexed on a heap of duff
pretending to study the sparrows.
Now the woman feigns confidence,
stepping gracefully
away. Two lives severed
irrevocably.
Such a capricious drug,
the present. Look for instance
at this woman’s immediate future.
Like yourself once, she will forget
the names of old haunts, her voice
a clever imposter, someone else
filling her mouth, not with words,
but vocables intending her own worth.
Or right now: how all of these thoughts
have occurred to you in a flash.
When you look up, your wife’s vanished.
But really she’s there, of course,
off the path, among the ancient
waist-high grasses, holding out to you
a single mutable wildflower
burning in its own ochre light.
From here to that flower exist
no guarantees. Best to get on with it.

Genealogie

Jos de Haes

.

Ergens deze zomer vertelde mijn moeder dat wij familie zijn van een zeeheld. Johan Evertsen is zijn naam en hij was Luitenant-Admiraal van Zeeland (net als zijn broer Cornelis overigens). Ik wist niet beter dan dat ik van een landarbeider afstamde (wat overigens ook zo is) maar ja familielijnen lopen natuurlijk via je moeder en je vader. Ik heb het praalgraf in de Wandelkerk, dat deel uitmaakt van het Abdijcomplex in Middelburg, deze zomer bezocht en het ziet er fraai uit.

Ik moest hieraan weer denken toen ik in de bundel ‘Gedichten’ van Jos de Haes (1920-1974) uit 2004 het gedicht ‘Genealogie’ las. Als je een beetje geïnteresseerd bent in de genealogie van je familie dan zijn er veel mogelijkheden om uit te zoeken waar je vandaan komt en uit welke familie(s) je afstamt. In het gedicht van de Haes komt dat mooi naar voren.

Jos de Haes was een Vlaams dichter, essayist en radiomaker. Hij publiceerde gedichten in het tijdschrift Podium (1943-1944), waarvan hij hoofdredacteur was en in Poëziespiegel. In 1950 werd hij recensent bij Dietsche Warande en Belfort en werd in 1960 redactielid. In 1942 debuteerde hij met de bundel ‘Het andere wezen’. Voor de bundel ‘Azuren holte’ uit 1964 ontving hij de Poëzieprijs van de provincie Brabant (1965), de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies (1965) en de Driejaarlijkse staatsprijs voor Poëzie (1965).

.

Genealogie

.

Tussen twee heuvelen van Brabant in
is de geschiedenis tot grond verteerd.
Geen steen, geen korrel of hij draagt een zin,
een hand, een hart heeft zich aan hem bezeerd.
.
Harten, handen, die ‘k ben en die ‘k bemin,
lijfeigenen die anders lijf begeert,
hoe lang hebt gij gewroet, om wiens gewin
zijt gij in zonde en armoe gecrepeerd!
.
Want uw geschiedenis ben ik . . .  De grond
en ik zijn al wat rest in deze stond,
twee zuren die elkaar benaderen.
.
Zij prikken de papillen in mijn mond,
zij zetten ’t virus in mijn aderen,
o stalmeiden en dronkaards, vaderen.

.

Dichtung und Wahrheit

Jules Deelder

.

Een van de favoriete onderwerpen van dichters is het dichterschap, de poëzie en alles wat daarmee samenhangt. In 1994 werd een bloemlezing door Atte Jongstra (1956) en Arjan Peters (1963) gepubliceerd met de veelzeggende titel ‘Dichten over dichten’. Bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de 19e en 20ste eeuw. Meer dan 600 pagina’s poëzie over poëzie, het dichterschap, de dichtbundel, het proces van het schrijven, vormen van poëzie en nog veel meer.

Een dichter die regelmatig de poëzie en het dichterschap als onderwerp nam is Jules Deelder (1944-2019). Deelder was serieus over zijn dichterschap maar hij mocht er ook graag op schertsende op kolderieke wijze over schrijven. Een voorbeeld van dat laatste is het gedicht ‘Dichtung und Wahrheit’ uit de bundel ‘Interbellum’ uit 1987.

.

Dichtung und Wahrheit

.

‘Heb je ’t al gehoord

van de dichter D.?’

.

‘Nee, wat is er dan

met D.?’

.

Die heeft z’n lier

aan de wilgen gehangen

.

‘Is dàt alles? Nee

dan E.!’

.

‘Wat is er dan met E.?’

.

‘Die heeft zichzelf

aan z’n lier gehangen

.

Schilderij: Dick Bakhuizen van den Brink (1950)

 

Herman de Coninck

Twee gedichten voor Hans Lodeizen

.

Het is alweer enige tijd geleden dat ik een gedicht van één van mijn meest favoriete dichters aller tijden, Herman de Coninck (1944-1997) hier op dit blog deelde. In ‘De gedichten’ uit 1998, is een gedicht opgenomen bij de verspreidde gedichten, dat komt uit  ‘Ruimten’ jaargang 4 nummer 13/14 uit 1965. In dit literair magazine verscheen het gedicht van de Coninck getiteld ‘twee gedichten voor hans lodeizen’.

Dit magazine met nieuwe realistische poëzie verscheen tussen 1961 en 1973. Ruimten werd opgezet met de bedoeling de lezer kennis te laten maken met de literaire producten van de allerjongste generatie, studenten aan de universiteiten van Gent, Brussel, Leuven en aan de hogeschool van Antwerpen.

En, zoals de redactie het in 1961 in het eerste nummer in het voorwoord schreef: ” de redaksie houdt zich geen vast (politiek) programma voor ogen, wat aan de gemiddelde lezer van vlaamse tijdschriften hoogst ongeloofwaardig en ongebruikelijk zal voorkomen. wij zullen echter met genoegen alle politieke kwesties, die in ons laag landje zoveel geesten tot op zo verafgelegen gebieden blijken geboeid te houden, naar het andere einde van de wereld wensen bij onze literaire bezigheden. dit betekent helemaal niet dat wij ons buiten het aktuele tijdsgebeuren plaatsen om ons op te sluiten in een ivoren toren.”

Het gedicht van Herman de Coninck is geschreven voor mededichter Hans Lodeizen (1924-1950), waarmee hij zich in goed gezelschap begeeft. Andere dichters die gedichten over Lodeizen schreven waren Simon Vinkenoog (1928-2009) en  Heere Heeresma (1932-2011). Het gedicht van Herman de Coninck bestaat uit twee gedichten.

.

Twee gedichten voor Hans Lodeizen

.

1.

.

voor ik zal sterven wil ik

alle mensen toelachen zei hij

en ging op reis naar alle mensen

en lachte en lachte

.

maar onderweg stierf hij

van verdriet.

.

2.

.

sterven is mooi dacht hij

kijk maar naar de zon

en ze stierven lang samen

tot het water van de nacht

hen overspoelde hij deinde uit

zo wijd als hij maar wezen wilde

en werd het water

waarin hij verdronken was.

.

Vijf variaties op een misverstand

Kees Stip

.

Pyramus en Thisbe is een verhaal uit de Griekse mythologie over de onmogelijke liefde tussen twee jonge mensen uit Babylon. Anders dan in de meeste mythologische verhalen, spelen de Griekse godenwereld en bovennatuurlijke nimfen en saters geen enkele rol. In 1950 verscheen van de hand van Kees Stip (1913-2001) het kleine bundeltje ‘Vijf variaties op een misverstand’ een droevige geschiedenis behandeld in de trant van enige Nederlandse dichters.

Die dichters zijn (Koos) Speenhoff (1869 – 1945), Jan Prins (1876-1948), (Martinus) Nijhoff (1894-1953), (Herman) Gorter (1864-1927) en (Joost van den) Vondel (1587-1679). In een herdruk in 1984 werd nog een variatie naar Gerrit Achterberg (1905-1962) toegevoegd. De vijf variaties zijn dus geschreven in de stijl van deze dichters.

De variaties zijn nogal lang en daarom heb ik er één uitgelicht, namelijk die van Speenhoff. Ik vind de vindingrijkheid van Stip, het verweven van alledaagse dingen (C&A, Circus Barnum en Bailey) bijzonder grappig.  De Rotterdamse illustrator, dichter/zanger en kunstschilder Speenhoff was daarnaast een variété-artiest en raakte bekend met zijn liedjes over het volkse leven. Een gegeven dat Stip mooi verwerkt heeft in deze variatie.  Wil je ze alle vijf lezen ga dan naar de website waar ze te vinden zijn.

.

Pyramus en Thisbe

Naar Speenhoff

 

Dit is het bloedig moordverhaal van Pyramus en Thisbe

De een, een schone jongeling, wiens ouwe heer in vis dee

De andere, miss Babylon, de dochter van de buurman,

Bij wie hij op beperkte schaal des avonds door de muur kwam.

 

Die muur had namelijk een spleet (het ding zat er al jaren),

maar in die tijd had Babylon gebrek aan metselaren.

De ‘Aziatische idee’, zo heette het, ging voor—en

men bouwde tegen wil en dank aan de mislukte toren.

 

De huisbaas schreef in spijkerschrift, hetgeen een hele toer was,

een lang request waarin stond dat bij hem de muur ajour was.

Maar toen het aankwam op de plaats waar zo’n request moest wezen,

toen brak de spraakverwarring uit en niemand kon het lezen.

 

Door deze spleet nu wurmde Thisbe ’s avonds hare lippen

en Pyramus placht dan daaraan een poze-lang te nippen.

Dat was misschien wel aardig, doch hoezeer zij ook genoten,

toch waren beiden er op uit hun afzet te vergroten.

 

Dus Thisbe op een goede dag sprak in het Babylonisch,

die muur is toch maar niks gedaan, hij maakt mijn hele koon vies.

Je hebt gelijk sprak Pyramus, die muur dat is een vieze,

vanmiddag bij het eten, zat de kalk nog in mijn kiezen.

 

Ik heb een plan, we gaan eruit, we doen het clandestien zus

achter het Wilhelminapark, daar ligt het graf van Ninus.

Dat is een plekje waar geeneen ons kan bespioneren,

ik wil nu weleens weten wat wij zonder muur presteren.

 

En zo begaven beiden zich met uitgedachte smoezen

apart naar wijlen Ninus toe om daar te rendez-vousen.

Doch Thisbe die het eerste kwam werd bleek gelijk een lelie

toen zij een leeuw trof, juist ontsnapt uit Barnum en Bailey.

 

Die leeuw zat daar op Ninus’ graf en at wat eens een ree was

en keek precies of in zijn maag nog plenty plaats voor twee was.

Het arme kind wist weliswaar het ondier te ontkomen

maar het kostte haar d’r mantel, die ze pas had laten stomen.

 

Toen nu de leeuw verdwenen was kwam Pyramus haar vrijer

en las op het verscheurde flard de naam van Brenninkmeijer.

Hij wist dat dit de firma was, waar Thisbe vaste klant was

en snapte dus direct wat of er met haar aan de hand was.

 

Zijn haren rezen overeind, z’n wangen werden sneeuw-wit,

hij dacht het heeft er alles van dat Thisbe in een leeuw zit.

Ach waren we nu nog maar thuis, zelfs met de muur er tussen

want iemand binnen in een leeuw die laat zich lastig kussen.

 

Vaarwel mijn ouders, nimmermeer keert Pyramus uw zoon thuis,

ik sla nu mijn penaten op in huize Aidoneus.

Hij trok daarop een slagersmes, hij stak het in zijn baadje

en zonk toen rochelend ineen op Thisbe’s C&A-tje.

 

Toen Thisbe hem daar liggen vond,—gij raadt het reeds, eilasie

een mens is van nature toch geneigd tot imitatie!—

trok zij het mes uit Pyramus en stak het in haar sinus.

Toen lagen twee kadavers daar, nog afgezien van Ninus.

 

Moraal

 

Dit drama leert ons iets omtrent de ouderlijke plichten.

Men dient de gaten in zijn huis terstond te laten dichten.

Wie dit niet doet die brengt zichzelf in vele ongemakken,

Dus hebt gij jonge dochters thuis; laat er dan behang op plakken!

.

Allerliefste

Breyten Breytenbach

.

In 2019 werd de bundel ‘Allerliefste’ 25 liefdesgedichten die iedereen gelezen moet hebben, van Breyten Breytenbach ( 1939) gepubliceerd. In deze tweetalige bundel zijn de 25 mooiste, meest onvergetelijke liefdesgedichten van Breyten Breytenbach samengebracht. Ik las ze en de titel is geen vorm van overdrijving, iedereen zou deze gedichten moeten lezen. Het is niet alleen een heel mooie introductie met de poëzie van Breytenbach (voor wie hem als dichter nog niet kent) maar de gedichten zijn ook gewoon heel erg mooi.

Breyten Breytenbach is een Zuid-Afrikaanse schilder, schrijver maar vooral dichter. Tijdens zijn studie werd hij een fel tegenstander van de apartheid in Zuid-Afrika.  In de jaren ’60 van de vorige eeuw vestigde hij zich in Parijs, waar hij met een Franse vrouw van Vietnamese afkomst trouwde. Vanwege de toenmalige rassenwetgeving in Zuid-Afrika kon hij daardoor niet meer terug naar zijn geboorteland. Op grond van de Wet op de Gemengde Huwelijken (1949) en de Ontuchtwet van 1950 was het een misdrijf om een seksuele verhouding met iemand van een ander ras te hebben.

In Frankrijk was hij medeoprichter van Okhela, een groep die in ballingschap de apartheid bestreed. Hij bezocht in 1975 illegaal Zuid-Afrika en werd daar verraden, in hechtenis genomen en voor hoogverraad tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld. Na veel druk van buitenaf werd hij in 1982 vrijgelaten. Hij keerde naar Parijs terug en nam daar de Franse nationaliteit aan.

In zijn poëzie is Breytenbach niet altijd de activist die de buitenwereld in hem zag. Michael Titlestad (1964) professor Engelse literatuur aan de Universiteit van Witwatersrand, noemt Breytenbach “een meester in self-styling, hij is enigmatisch, een estheticus en ongrijpbaar postmodern. Hij is arrogant en zonderling.” En Danie Marais (1971) die in 2006 debuteerde met de dichtbundel ‘In die buitenste ruimte’ (die driemaal werd bekroond) zei over Breytenbach: “Ik verwachtte de Che Guevara der letteren. In plaats daarvan kreeg ik verbijsterend mooie liefdesgedichten onder ogen. Ik was dol op zijn lyriek, zijn rijke buitenaardse beelden en de donkere romantiek – de bedwelmende mengeling van seksualiteit en een poëtische doodwens.”

Dat er dus een bundel met zijn liefdesgedichten is verschenen is niet zo verwonderlijk. Een bundel gedichten gekozen door Annemiek Recourt en vertaald door Laurens van Krevelen, waarin zijn activisme en politieke engagement niet aanwezig is. Een gedicht uit deze bundel is getiteld (soos van vlerke) of in de Nederlandse vertaling (als van vleugels).

.

(als van vleugels)

.

Allerliefste, ik stuur je een palmtortel
want niemand zal een boodschap die rood is neerschieten.
Ik werp mijn palmtortel hoog in de lucht en ik
weet dat alle jagers zullen denken dat het de zon is.
Kijk, mijn tortel komt op en mijn tortel gaat onder
en waar hij vliegt daar schitteren oceanen
en bomen worden groen
en hij kleurt mijn boodschap zo rood over je vel

Want mijn liefde reist met je mee,
mijn liefde moet als een engel bij je blijven,
als vleugels, wit als een engel.
Je moet van mijn liefde blijven weten
als van vleugels waarmee je niet kunt vliegen

.

(soos van vlerke)

.

Allerliefste, ek stuur vir jou ’n rooiborsduif
want niemand zal ’n boodskap wat rooi is skiet nie.
Ek gooi my rooiborsduif hoog in die lug
en ek weet al die jagters sal dink dis die son.
Kyk, my duif kom op en my duif gaan onder
en waar hy vlieg daar skitter oceane
en bome worden groen
en hy kleur my boodskap so rooi oor jou vel

Want my liefde reis met jou mee,
my liefde moet soos ’n engel by jou bly,
soos vlerke, wit soos ’n engel.
Jy moet van my liefde bly weet
soos van vlerke waarmee jy nie kan vlieg nie

.

Tijd heelt geen wonden; wie heeft dat beweerd

Edna St. Vincent Millay

.

Dichter en toneelschrijver Edna St. Vincent Millay (1892-1950) ken ik sinds ik in ‘Ter ere van de goedertieren maan’ uit 1978 van Herman de Coninck een gedicht van haar las dat Herman had vertaald. De hele bundel bestaat uit vertalingen van De Coninck van het werk van St. Vincent Millay. Zij was een opmerkelijke en bijzondere vrouw en dichter. Een prominent literatuurcriticus noemde haar  ‘een van de weinige dichters die in onze tijd in het Engels schreef, noemde en die zoiets als de status van grote literaire figuren had bereikt.’

In 1923 won ze de Pulitzer-prijs voor poëzie en was daarmee de eerste vrouw die die prestigieuze prijs won. In In 1943 was Millay de zesde persoon en de tweede vrouw die de Frost Medal ontving voor haar levenslange bijdrage aan de Amerikaanse poëzie. Schrijver en dichter Thomas Hardy (1840-1928) zei dat Amerika twee grote trekpleisters had: de wolkenkrabber en de poëzie van Edna St. Vincent Millay.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat haar poëzie en haar leven nog steeds tot de verbeelding spreken. Ans Bouter kreeg een bronzen medaille Schönste Bücher aus aller Welt, Leipzig 2017, voor haar bundel ‘Dwars vers’. In deze bundel staan vertalingen van de poëzie van Edna St. Vincent Millay en Emily Dickinson. Ook op haar website zijn verschillende vertalingen van de poëzie van Edna St. Vincent Millay te vinden, waaronder het gedicht ‘Tijd heelt geen wonden; wie heeft dat beweerd’ of  ‘Time does not bring relief; you all have lied’.

.

Tijd heelt geen wonden; wie heeft dat beweerd

Tijd heelt geen wonden, wie heeft dat beweerd
Die leugens dat de pijn wel ooit verdwijnt
Ik mis hem als de regen zachtjes dreint
Ik heb hem nodig als het tij zich keert
De oude sneeuwlaag smelt, desintegreert
Vermolmde blaadjes geuren op het plein
Maar hoe verbitterd liefde ook mocht zijn
Mijn hart blijft vol ervan, ‘t wordt niet verteerd
Er zijn wel honderd plekken die ik mijd
Zo allesoverheersend is hij daar
En als ik opgelucht iets rustigs vind
Waar hij nooit straalde, niemand werd verblind
Zeg ik, hier doet niets denken aan die tijd
En voel hem als ik in de verte staar

.

Time does not bring relief; you all have lied

Time does not bring relief; you all have lied
Who told me time would ease me of my pain!
I miss him in the weeping of the rain;
I want him at the shrinking of the tide;
The old snows melt from every mountain-side,
And last year’s leaves are smoke in every lane;
But last year’s bitter loving must remain
Heaped on my heart, and my old thoughts abide.
There are a hundred places where I fear
To go,—so with his memory they brim.
And entering with relief some quiet place
Where never fell his foot or shone his face
I say, “There is no memory of him here!”
And so stand stricken, so remembering him.

.

Innerlijk behang

Hans Lodeizen

.

Voor mijn verjaardag kreeg ik een vrijwel nieuwe editie van ‘Het innerlijk behang en andere gedichten’ van Hans Lodeizen uit 1966. In de antiquariaatwereld noemen ze de staat waarin deze bundel zich bevind ‘mint condition’ ofwel zo goed als nieuw. Met een harde kaft en vergulde linnenband, ingebonden en voorzien van een foto van  Lodeizen is dit een aanwinst voor mijn poëziecollectie. Ik bezat al een veel nieuwere versie en natuurlijk zou de versie van 1950 mij nog blijer maken maar ik ben er blij mee. Ik schreef al eerder over Hans Lodeizen en dus over ‘Het innerlijk behang en andere gedichten’ daar het de enige dichtbundel is die Lodeizen (1924-1950)is zijn te jonge leven schreef (hij overleed aan Leukemie op 26 jarige leeftijd)

In de bundel staat het gedicht ‘Allemaal steden’ een onderwerp dat meer voorkomt in de bundel (de stad). Omdat ik erg van gedichten over de stad en steden hou, er regelmatig in dit blog aandacht aan besteed en er zelf ook met enige regelmaat gedichten over heb geschreven, wil ik dit gedicht hier graag delen.

.

Allemaal steden

.

de stad weifelt over de huizen

.

de morgen vaart over de daken

de stad binnen

de zon staat op tussen de huizen

onder carillonmuziek

de mensen wandelen in het donker

als het elf uur is

.

de zon spoelt aan op de daken

.

aan het strand van de verten

ligt de stille zee der luchten

waarin het schip van een kerktoren

flikkert

.

in de buik van de stad

drinken wij koffie

.

en de stad zeilt verder.

.