Site-archief
Van kop tot teen
Van kop tot teen met Charlotte Van den Broeck en Jeroen Dera
.
In 2018 schreef ik een enthousiaste en positieve recensie van het boek ‘Woorden temmen’ van Kila van der Starre en Babette Zijlstra https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/05/09/woorden-temmen/ . Omdat het zo’n geweldig lees- en doe-boek is. Ik schreef toen onder andere: “Dit is het boek dat elke docent Nederlands in zijn of haar kast zou moeten hebben staan. Als je de jeugd bekend wil maken met poëzie op een speelse, verrassende, intelligente en moderne manier dan hoef je alleen maar de voorbeelden uit dit boek te volgen.” Woorden waar ik nog steeds achter sta. En nu is er dan een tweede deel van Woorden temmen van dichter Charlotte Van den Broeck (1991) en literatuurwetenschapper Jeroen Dera (1986).
Van den Broeck en Dera zijn ervan overtuigd dat je poëzie niet alleen met je hoofd, maar met je hele lichaam leest, met al je zintuigen en sensaties. Dat lichamelijke hebben ze heel letterlijk genomen: ieder gedicht in hun poëzie-doe-boek is gekoppeld aan een lichaamsdeel. Zo hoort ‘Graag verlossing’ van Gerda Blees bij de ogen, ‘de rivier’ van Lucebert bij de tong, ‘rib’ van Radna Fabias bij de rib en ‘Als het je overkomt’ van Marieke Lucas Rijneveld bij de knie. Aan de hand van inspirerende lees-, denk-, doe- en schrijfinvalshoeken ga je op poëtische avontuur.
bovenste deel van mijn hoofd
wordt weggenomen, weet ik
dat het poëzie is’
Emily Dickinson
Charlotte Van den Broeck en Jeroen Dera presenteren hun nieuwe bundel
Op vrijdag 11 september a.s. vindt om 16.00 uur bij boekhandel Donner in Rotterdam de boekpresentatie plaats van de nieuwe bundel van Charlotte Van den Broeck en Jeroen Dera.
Miriam Piters, neerlandicus en voormalig bestuurslid van Stichting Poetry International, zal dichter-performer Charlotte Van den Broek en literatuurwetenschapper Jeroen Dera interviewen ter gelegenheid van hun nieuwe boek. Tevens aanwezig is literatuurwetenschapper Kila van der Starre, een van de schrijvers van de eerste bundel in de reeks woorden temmen: 24 uur in het licht van Kila&Babsie.
Interview: 16.15-16.45 uur
Gelegenheid tot stellen van vragen-signeren boeken: 16.45-17.00 uur
Borrel: 17.00-18.00 uur (o.v.)
Lazarus
Ágnes Nemes Nagy
.
Afgelopen vrijdag las ik in de krant een stukje bij een fotoreportage over een van de grootste Hongaarse dichters Mihály Vörösmarty die schreef over het Balatonmeer (de fotoreportage ging over het Balatonmeer in Coronatijd). Ik moest meteen denken aan ‘The lost rider, a bilingual anthology’ uit 1997 dat ik jaren geleden kreeg van Tünde Kassa, uit Hatvan, die voor mij tolkte als ik daar beroepsmatig op bezoek was. Het betreft hier een overzicht van Hongaarse poëzie van de 16e tot en met de 20ste eeuw. Goede reden om deze bundel nog eens ter hand te nemen. In ‘The lost rider’ staan gedichten van Hongaarse dichters in het Hongaars en vertaald in het Engels. De dichter Vörösmarty (1800 – 1855) staat er inderdaad ook in (uiteraard) maar ik viel voor een gedicht van een wat modernere dichter namelijk Ágnes Nemes Nagy (1922 – 1991) getiteld ‘Lázár’ of in het Engels ‘Lazarus’ in een vertaling van George Szirtes.
Ágnes Nemes Nagy was dichter, pedagoog, schrijver en vertaler. Tot de jaren vijftig werkte ze als lerares in het onderwijs. Na de Tweede Wereldoorlog werkte Nemes Nagy mee aan een literair tijdschrift ‘Újhold’ (Nieuwe Maan). De redacteur was criticus Balázs Lengyel , met wie ze later trouwde. Het tijdschrift werd uiteindelijk verboden door de toenmalige regering. In 1946 publiceerde Nemes Nagy haar eerste dichtbundel ‘Kettős világban’ (In een dubbele wereld). In 1948 ontving ze de Baumgarten-prijs, een prestigieuze literaire Hongaarse prijs die tussen 1923 en 1949 werd uitgereikt. In de jaren vijftig werd haar eigen werk verboden en werkte ze als vertaler en vertaalde ze de werken van Molière , Racine , Corneille , Bertolt Brecht en anderen. Hieronder de Engelse vertaling, het origineel en een vrije vertaling van mijn hand.
.
Lazarus
.
As slowly he sat up, the ache suffused
his whole left shoulder where his life lay bruised,
tearing his death away like gauze, section by section
since that is all there is to to resurrection.
.
Lázár
.
Amint lassan felült, balválla-tájt
egy teljes élet minden izma fájt.
Halala úgy letépve, mint a géz.
Mert féltamadni éppolyan nehéz.
.
Lazarus
Terwijl hij langzaam rechtop ging zitten, kwam de hevige pijn
in zijn hele linkerschouder waar zijn leven gekneusd lag,
zijn dood afscheurend als gaas, sectie voor sectie
want dat is alles wat er nodig is voor wederopstanding.
.
Groeten uit Zwart Nazareth
Schemer in Schiedam
.
Vanuit mijn woonplaats en waar ik werk ligt Schiedam dichtbij, ik kom er regelmatig. Voor veel mensen is Schiedam dat jeneverstadje ergens onder de rook van Rotterdam. Als vakantiebestemming niet meteen aan te raden maar voor een dagtripje zeker de moeite waard. In 2004 publiceerde boekhandel Post Scriptum Schiedam in samenwerking met Stichting Centrummanagement de bundel ‘Groeten uit Zwart Nazareth’ samengesteld door Ruud Aret en Jan van Bergen en Henegouwen, een bibliotheek collega van me uit Schiedam. Een bundel vol gedichten van Schiedamse dichter en gedichten over Schiedam.
In de 19e eeuw was Schiedam het centrum van de jenever-industrie in Nederland. Met name tussen 1870 en 1890 bloeide deze industrie. De keerzijde hiervan was een enorme vervuiling van de met steenkoolgestookte branderijen en de glasfabriek, het alcoholisme, open riolen en cholera-epidemieën en de erbarmelijke huisvesting van de arbeiders. Uit die tijd stamt de bijnaam van Schiedam Zwart Nazareth.
In de bundel bekende Schiedamse namen als Piet Paaltjens, Rien Vroegindeweij, Ida Gerhardt en Gerard Reve maar ook minder bekende namen zoals die van Jan Willem Hofstra. Hofstra (1907-1991) was dichter, romancier, radiomaker en kunstcriticus van de Volkskrant en Trouw. Uit ‘Het glazen huis’ uit 1942 komt het gedicht ‘Schemer in Schiedam’.
.
Schemer in Schiedam
.
Vuurvlinder en salamander
suizend licht en wijkend aardvuur
Breken uit. Het eerste uur
na dagloon lijden naast elkander
Waarin ik vier de nederlagen
Alleen. De wind ruimt, het geschut
Dreunt soms tot hier. Een eerste trage
Stormveer naast de maan, onnut
Geslonken tot zijn laatste kwartier.
Dit is mijn eigen grond. De vrucht
Valt nimmer af totdat ik hier
De tak breek met het licht gerucht
Als plukt’ ik bloesems. Alle zorgen
Gelijken U en mij: het duister
Dooft in de oogen allen luister
De nacht verdraagt den dag tot morgen.
.
Gemadeliefd
Anton Ent
.
Anton Ent is het pseudoniem van Henk van der Ent (1939), een Rotterdams dichter, prozaschrijver en essayist. Op zoek naar de achtergrond van Anton Ent bleek dat we beide op de School voor Taal en Letterkunde hebben gestudeerd in Den Haag (inmiddels reeds lang geleden opgegaan in een andere opleiding). Hij was zijn werkzame leven actief in het lager onderwijs en docent Nederlands.
In 1969 debuteerde hij met de bundel ‘Hagel en sneeuw’ Eind 1993 baarde Henk van der Ent opzien door zich te onthullen als de man achter het pseudoniem Marieke Jonkman, een dichteres die sinds 1991 veel succes had met haar bundels. Onder zijn eigen naam publiceerde hij in ‘Maatstaf’, ‘Liter’ en ‘Tirade’ en als Marieke Jonkman in ‘De Gids’, ‘Ons Erfdeel’, ‘Dietsche Warande en Belfort’ en ‘Hollands Maandblad’. In totaal publiceerde Ent 17 dichtbundels. Hij wil door middel van beelden, klanken en ritme bij de lezers gevoelens oproepen. Zijn poëzie vereist een leeshouding waarbij de lezer zich openstelt voor de evocatieve kracht van de taal.
In de binnenflap van de bundel ‘Hoe het licht valt’ van Anton Ent uit 2016, schrijft Jaap Goedegebuure: “Karakteristiek voor zijn poëzie is dat ze in haar mystieke gerichtheid gedurig heen en weer slingert tussen hartstochtelijk beleden obsessie en de neiging tot berusting en verstilling”.
Op zoek naar het laatste kwam ik uit bij beide in het bijzondere gedicht ‘Gemadeliefd’. Bijzonder omdat de dichter in dit gedicht woorden gebruikt die in het Nederlands niet bestaan maar waarbij de lezer meteen een beeld of idee heeft. Ik hou van dergelijke taalvondsten en daarom hier dit gedicht.
.
Gemadeliefd
.
Ben ik gemadeliefd om gloed te zien in spierwitte straling?
.
De lintbloemen glimlachen om de vierentwintig fijnzinnige
richtingen van de windroos die naar haar willen verwijzen
.
Ik zou vergrast of versteend willen zijn
maar verman me
.
Moeders en roken
Dubbel-gedicht
.
Toen ik in de bundel uit 1999 ‘Familie duurt een mensenleven lang’ De honderd mooiste Nederlandstalige gedichten over vaders, moeders, dochters en zonen, samengesteld en ingeleid door Menno Wigman, het gedicht ‘Moeder’ van Gerrit Achterberg las, deed het me denken aan een gedicht dat ik ooit las van Nannie Kuiper. Na enig zoeken (waar vind je die tussen zovele andere bundels) kwam ik hem tegen. Het betreft hier de bundel ‘Ik heb alleen maar oog voor jou’ een bundel gedichten voor jongeren en volwassenen.
Opvallend genoeg hebben beide gedichten niet 1 maar 2 overeenkomsten. Ze gaan beide over een moeder en beide over roken. Het gedicht ‘Moeder’ van Gerrit Achterberg is genomen uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1991 en het gedicht ‘wat is ze kwaad’ van Nannie Kuiper is uit 1997.
.
Moeder
.
Ik zat met moeder aan de haard. zij breide
en ik deed niets dan sigaretten roken.
Ze zei; Jongen, je moet niet zoveel roken;
Je moet er vanaf morgen mee uitscheiden.
.
Ik ben het haardvuur nog wat op gaan stoken;
horende hoe het zachtjes in mij schreide,
omdat het niet kon worden uitgesproken,
wat zich vlakbij voor eeuwig wou bevrijden.
.
wat is ze kwaad
.
wat is ze kwaad
mijn moeder
nu ze net
ontdekt heeft
dat ik peuken rook
in bed
.
en in haar handen
ligt mijn nachtrust
tussen al die
stukjes sigaret.
.
Götterdämmerung
Johnny van Doorn
.
Johnny the Self-kicker schreef in 1963 een brief naar het tijdschrift ‘Podium’ waarin hij uiteen zette dat hij in financiële nood verkeerde en zich gedwongen zag het tijdschrift vier verzen toe te sturen uit zijn nieuwe bundel ‘DE NIEUWE MONGOLEN’. De vier bijgevoegde gedichten; ‘De terreur van de tongval’, ‘Vers’, ‘Op de rand van het verdoemd voorgevoel’, en ‘De stofnaalden der opwaartsgelegen stelsels’ zouden uiteindelijk niet in de bundel ‘Een nieuwe mongool’ verschijnen. Toch zorgde deze brief ervoor dat Johnny van Doorn (1944 – 1991) met deze gedichten zou debuteren.
In de bundel ‘Droom vrijuit’ uit 2014 waarin alle gedichten van Johnny van Doorn zijn opgenomen staat achterin deze brief in zijn geheel afgedrukt. Hoewel de titels van zijn proza bij mij en vele anderen beter bekend zijn (‘Gevecht tegen het zuur’ en ‘De geest moet waaien’) heeft Johnny van Doorn onmiskenbaar zijn stempel gedrukt op de poëzie in de jaren ’60. In ‘Droom vrijuit’ zijn de bundel ‘Een nieuwe mongool’ uit 1966 en ‘De heilige huichelaar’ uit 1968 in zijn geheel opgenomen evenals een aantal losse gedichten die in tijdschriften zijn gepubliceerd.
Zo ook het gedicht met de altijd intrigerende titel ‘Götterdämmerung’.
.
Götterdämmerung
.
3 ijslollies pers ik
Hardhandig in haar zwangere
Gecorsetteerde buik &
Sardonisch hijg ik in
Haar te kleine oren
Een kompleet giftige
Maalstroom van
Woorden & woorden:
Van tot tot teen
Schiet een zwavelige
Vlam door haar heen &
Akelig gillend ver-
Koolt ze onder haar
Pikante peignoir
Tot 5 vierkante cm.
Grijs bitter as &
Vol valsigheid
Kondig ik met een
Krijsende Eucalyptastem
De GötterDämmerung &
Het Laatste Oordeel
Aan &
Op de hoek van een
Op zijn grondvesten
Trillend huizenblok
Verziek ik met een
Laatste Caballero
M’n astmatische
Bronchiën &
Ik leg me bij
De ernstige
Situatie neer.
.
Max Brückner , printed by Otto Henning
De grom uit de hond halen
Iduna Paalman
.
Iduna Paalman (1991) is een jonge dichter die naast poëzie ook proza en toneelteksten schrijft. In het najaar van 2019 debuteerde ze met de dichtbundel ‘De grom uit de hond halen‘. In de Volkskrant werd ze vervolgens uitgeroepen tot literair talent van het jaar. Haar werk werd onder meer gepubliceerd in De Gids, De Revisor, Het Liegend Konijn, Kluger Hans, NRC Handelsblad en op VPRO.nl. Iduna Paalman was actief bij De Nacht van de Poëzie, Lowlands, Geen Daden Maar Woorden en Dichters in de Prinsentuin.
Ze studeerde Duitse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Humboldt Universität in Berlijn, en voltooide de geschiedenismaster Duitslandstudies. Naast het schrijven werkt ze als presentator en docent.
In haar debuutbundel staat het gedicht ‘De waarheid’.
.
De waarheid
.
De waarheid is: ik ben je zwembroek vergeten
en een pak sap, mijn zakmes ook, ik heb
alleen een handdoek voor mezelf, de waarheid
is: ik sta bij een heel andere plas, bij een heel andere
man, eentje met een hond, eentje die het water zelf heeft uitgegraven
zo met zijn handen door al die lagen, de waarheid is: ik laat me dragen
.
er is een picknickkleed met grasmotief en een schoonmoeder plukt ergens een boeket
schenkt de wijn bij, zegt verder weinig, een gil van een kind dat
voor het eerst te water raakt, mijn leven heb ik daar gelaten
waar het mij onmisbaar heeft gemaakt
.
daar zit je, niets te drinken, zo nat, zo naakt
het brood een onafgeschoten kogel op de grond
geen hond die op ideeën komt.
.
…, want nooit wordt alles gezegd
Alphons Levens
.
Als het gaat om poëzie van de Antillen of Suriname heb ik op dit blog berichten gewijd aan R. Dobru, Michaël Slory en Alette Beaujon. Ik ben altijd op zoek naar werk van dichters uit Suriname of de Antillen maar vreemd genoeg vind ik maar zelden iets. Nu heb ik echter een bundel gedichten gevonden van de Surinaamse dichter Alphons Levens.
Alphons Levens (1949) werd op Curaçao geboren maar verhuisde op zijn 5e met zijn ouders naar Suriname. Van 1969 tot 1977 woonde Levens in Nederland waar hij o.a. psychologie studeerde. Weer terug in Suriname werkte hij als onderwijzer, correspondent van de Hilversumse VARA-radio en als redacteur van het weekblad ‘Pipel’ dat na de decembermoorden in 1982 door het militaire regime werd gesloten.
In 1971 had hij zijn debuut gemaakt bij de Vereniging Ons Suriname in Amsterdam met de dichtbundel ‘Bezinning en strijd’. Bekendheid verwierf hij met zijn sinds 1991 frequent verschijnende gedichten in het dagblad ‘De Ware Tijd’ en de ‘Weekkrant Suriname’ in Nederland. Hij publiceerde ze in de dichtbundels ‘Bezinning en strijd’ (1971), ‘Mogelijk’ (1996), ‘…, want nooit wordt alles gezegd’ (1998) en ‘Wee het volk dat niet meer denkt!’ (2002).
Zijn gedichten hebben een minimum aan poëtische eigenschappen maar zitten vol engagement en hebben een socialistische en anti-militairistische inslag. Levens denken, dichten en schrijven zijn sinds 1970 bijzonder beïnvloed door zijn directe en indirecte ervaringen bij de ontwikkelingen in Suriname en de rest van de wereld, en dan met name de derde wereld.
In de bundel ‘…, want nooit wordt alles gezegd’ staan 100 gedichten die door hun titels alleen al duidelijk maken waar het bij Levens om draait. Titels als ‘Het roer moet om!’, ‘Niet opgeven’, ‘Desinformatie’, ‘Emancipatie’ en ‘Censuur’ laten meteen zien dat hier een sociaal geëngageerde dichter aan het woord is. In het gedicht ‘Mobutu Sese Seko’ uit 1997 blijkt dat Levens geen onderscheid maakt tussen onrecht door kolonialisten of onrecht van het eigen volk.
.
Mobuto Seso Seko
.
Als op die dag de veel oudere
Nelson Mandela hem niet had opgetrokken,
was hij echt niet van die stoel kunnen komen.
.
Toch bleef hij vergaren en beschermen
miljarden gestolen rijkdommen
die zijn berooide volk toebehoorden
.
De laatste dagen van zijn leven
probeerde hij nog te leven,
maar dat was geen echt leven
.
Ik begrijp niet dat in deze tijd
van moderne telecommunicatie
er op aard’ nog zoveel Mobuto’s zijn
.
En er zelfs nieuwe bij komen.
.
Maffe zus
Nico Scheepmaker
.
In 1973 vertelde Nico Scheepmaker aan Guus Luijters: ‘Het moet allemaal een spel blijven, vind ik. Sommige gedichten zijn een spel met een serieus onderwerp, andere met een frivool onderwerp, maar het is allemaal spel. Het gaat erom de mensen een beetje leesgenot te verschaffen’. Hij deed dit in het Parool en deze passage is het begin van de bundel ‘De gedichten’ Bezorgd door Ivo de Wijs uit 1991.
De reden dat ik dit citaat overneem is omdat ik het zo eens ben met Nico. Alle literatuur is er (ook) om de mensen een beetje leesgenot te verschaffen. Voor poëzie geldt dit net zo. Natuurlijk zijn er vast nog vele andere redenen te bedenken waarom iets geschreven is maar door het simpele feit dat het geschreven is, is het altijd om gelezen te worden. En lezen zonder leesgenot is geen lezen.
Nico Scheepmaker (1930-1990) was columnist, (sport)journalist en dichter. In de jaren 50 kreeg hij succes als dichter. Hij debuteerde als dichter met de bundel ‘Poëtisch fietsen’ (1955) en in 1958 kreeg hij de Anne Frank-prijs voor jeugdige schrijvers. Scheepmaker schreef verschillende dichtbundels waaronder ‘Vinger in de hoed’ uit 1976, een dialoog in sonnetvorm tussen Scheepmaker en Jan Kal.
Uit deze laatste bundel komt het gedicht ‘Maffe zus’.
.
Maffe zus
.
Het gaat in een gedicht niet om het rijm!
En ook sonnetten zijn nog steeds gedichten
al vallen zij als onvolwassen nichten
bij ’t eerste ’t beste halfrijm in zwijm.
.
Je hebt als sonnettist natuurlijk plichten,
maar een gedicht dat met een kwastje lijm
aaneengehaakt wordt, mist het groot geheim
op ongeëvenaarde vergezichten.
.
Neem nu alleen maar deze twee kwatrijnen:
‘rijm’ en ‘gedichtenazijn toch niet ontheemd
in een gedicht dat zonder tierlantijnen
zijn licht over de dichtkunst wil doen schijnen.
.
Maar ’t blijft natuurlijk wel een beetje vreemd
dat elk zijn maffe zus op sleeptouw neemt.
.
Columbus dus
Het nieuwe avontuur
.
Naast dat je op avontuur en ontdekkingsreis kunt gaan in de poëzie (wat ik iedereen kan aanraden) kun je ook in de poëzie op zoek gaan naar ontdekkingsreizen. Dat is precies wat Hans Heesen in 1991in opdracht van uitgeverij Kwadraat uit Utrecht gedaan heeft. Hij stelde de bundel ‘Het nieuwe avontuur’ ontdekkingsreizen in de poëzie samen.
In deze thematische verzamelbundel staan gedichten van dichters uit de vorige eeuw over ontdekkingsreizen. Veelal gaan ze over Columbus maar ook Stanley Livingstone Diego Cam, Vasco da Gama, Pizarro en James Cook komen voorbij. Dat je een gedicht over ontdekkingsreizen kunt schrijven en toch heel dichtbij huis kunt blijven bewijst dichter Leendert Witvliet (1936) in het gedicht ‘Columbus dus’ dat oorspronkelijk verscheen in zijn bundel ‘Sterrekers’ uit 1984.
.
Columbus dus
.
Een boot vaart voor het raam
het vloerkleed is de zee
elke stoel krijgt naam
van land of water mee
.
en de kast die op een flat gelijkt
waarop de kat soms ligt als ze niet krabt
waarvoor de boot de zeilen strijkt
en waarheen een reus nu stapt
.
nog zonder naam, nog echt
een kast met grote la
totdat de jongen zegt
die noem ik Amerika.
.
















