Site-archief

Kaarten

De wereld wordt je huis

.

Poëzie en ansichtkaarten zijn een mooie combinatie van twee dingen die elkaar op een goede manier versterken. Een gedicht leent zich uitstekend voor de vorm van een ansichtkaart (tenzij een prozagedicht) en als boodschap naast wat je op de ansichtkaart op de achterkant schrijft aan degene die je de kaart toestuurt (zeg maar een dubbele ‘boodschap’).

Rutger Kopland heeft al eens in een gedicht verwerkt hoe je een ansichtkaart schrijft, MUGzine heeft een eigen ansichtkaart laten maken, de VSB Poëzieprijs kwam in 2014 met een set ansichtkaarten met daarop gedichten uit de vijf genomineerde bundels van dat jaar, dichters mogen graag gedichten op ansichtkaarten laten afdrukken (net als kunstenaars hun kunstwerken) en ook wordt de poëzie-ansichtkaart wel ingezet als reclame middel voor bijvoorbeeld bier.

En ook de organisatie van de Poëzieweek doet mee aan dit graag gebruikte middel om poëzie onder de mensen te brengen. Dit jaar, voor de Poëzieweek 2024, heeft men drie ansichtkaarten laten maken met gedichten van Jos van Hest, Esohe Weyden en Judith Herzberg. De gedichten sluiten aan bij het thema van de Poëzieweek ‘Thuis’. De mooi vormgegeven ansichtkaarten (illustraties van Leonard Cools) zijn bij bibliotheken en boekhandels gratis verkrijgbaar.

Het gedicht ‘De wereld wordt je huis’ van Jos van Hest verscheen eerder in het tijdschrift ‘Dichter’ nummer 6, Nieuwe buren, uitgegeven door Plint in 2017.

.

De wereld wordt je thuis

.

In de vensterbank bloeien de sterren

bij de voordeur groeit zeldzaam geluk

.

Nachten glanzen als zwarte parels

dagen glinsteren als goven in de zon

.

De wereld wordt een huis met open ramen

wolken zweven naar binnen en buiten

.

Geen land hoeft ooit nog op slot

er zijn kamers voor alle seizoenen

.

De Kift

Beguine

.

Afgelopen maand las ik in de krant een stuk over de mooiste Nederlandse popsongs aller tijden. Nu is dat uiteraard een arbitraire lijst, over smaak valt wel degelijk te kwisten, maar een interessante lijst is het zeker. Een nummer dat in de lijst staat (nummer 95 van de top 100) trok mijn aandacht. Het betreft hier het nummer ‘Beguine’ van het Nederlands muzikaal ensemble De Kift. En waarom zul je je afvragen? De Kift maakte dit nummer naar aanleiding van een gedicht van Giza Ritschl.

Gizella Ritschl (1869-1942) werd in Hongarije geboren en kwam in 1896 als circusartiest naar Nederland. Frederik van Eeden hielp haar bij de uitgave van haar eerste bundel ‘Verzen’  (1901) met gedichten die veel sporen vertoonden van haar Hongaarse afkomst en taal en literaire traditie. Zo zijn de 112 gedichten in die eerste bundel heel kort (veelal 6-regelig). Na haar debuut verschenen nog ‘Nieuwe verzen’ (1904), ‘Gedichten’ (1905), ‘Liederen’ (1907) en ‘Vrome Liederen’ (1914). In 1939 werd nog een bloemlezing van haar liefdesgedichten gepubliceerd (Ingeleid door Hendrik de Vries) en in 1942 verscheen, kort na haar overlijden in Den Haag de postume bundel ‘Zangen van droom, liefde en dood’. 

Het tekst van ‘Beguine’ is dus vrij naar het gedicht van Ritschl. In de Volkskrant staat bij het nummer ven De Kift: een prachtig miniatuurmelodrama  van een weemoedig, desolaat soort rumba. In huilend Zaans gezongen. Het koper weent troostend mee. Oordeel zelf.

De beguine is een muziekgenre uit Martinique, ontstaan in de 19e eeuw. Door de combinatie van de traditionele bélé-muziek met de polka, creëerden zwarte muzikanten in de hoofdstad Saint-Pierre de beguine. De beguine is verwant met de Jazz muziek uit New Orleans.

.

Beguine

.
Ik zing, ik drink, ik lach, ik dans
Terwijl mijn harte weent.
Mijn ogen schitteren in wilde glans
Terwijl mijn harte weent.
Verneem de zangen die ik zing,
En drink met mij de wijn.
Volmaakt mijn zelfbegoocheling,
Bedwelmend moet het zijn.
Ik zing, ik drink, ik lach, ik dans
Terwijl mijn harte weent.

.

Mijn ogen schitteren in wilde glans
Terwijl mijn harte weent.
Verneem de zangen die ik zing,
En drink met mij de wijn.
Volmaakt mijn zelfbegoocheling,
Bedwelmend moet het zijn.
Aan mij is er toch niets verbeurd,
Mijn ziel geniet en lacht!
Het ergste is nu toch gebeurd:
Mijn lief verliet mij vannacht.

.

 

Piesen op schrikkeldraad

Simon van der Geest

.

Over de geweldige, prachtig uitgegeven verzameling moderne kinderpoëzie in 333 gedichten, getiteld ‘Heel de wereld wordt wakker’ schreef ik al eerder hier en hier. En omdat ik het zo’n mooi boek vind met vele poëzieschatten hier nogmaals een gedicht uit deze bundeling kinderpoëzie.

Het gedicht ‘Piesen op schrikkeldraad’ van Simon van der Geest, vind ik een heel mooi voorbeeld van hoe een gedicht kan appelleren aan een ervaring of gevoel van zowel een kind of jongere als dat van een volwassenen (in dit specifieke geval wel aan dat van een jongen of een man in de meeste gevallen).

Simon van der Geest (1978) is schrijver van kinderboeken, toneelstukken en hij is dichter. Hij is opgeleid tot theaterdocent aan de toneelschool in Arnhem. Hij debuteerde in 2009 als kinderschrijver met het boek ‘Geel Gras’, kreeg tweemaal de Gouden Griffel (2011 en 2013) en hij won de Jan Wolkersprijs in 2013 voor zijn boek ‘Spinder’. In 2015 schreef hij het Kinderboekenweekgeschenk.

Het gedicht ‘Piesen op schrikkeldraad’ verscheen oorspronkelijk in ‘Querido’s  Poëziespektakel’  Vijf draken verslagen, uit 2011.

.

Piesen op schrikkeldraad

.

Ik zal je zeggen hoe dat gaat:

Tzik!

Bliksem

in je mik!

Je skelet staat te tikken

en te hikken

tot je

alle botjes

weet te

zitten

so

wat deed dat pijn, vooral

de botjes

in mijn

piemel

.

Er kwam geen geluid mijn mond uit,

alleen maar een zwart wolkje

Het smaakte naar benzine

Nu noemen ze mij Elektroman

Een naam moet je verdienen

.

Dichters zijn om te dichten

Lucebert

.

In 1959 publiceerde Lucebert bij de De Bezige Bij, als Literaire pocketserie nummer 25, de bundel ‘val voor vliegengod’. Lucebert (pseudoniem van Lubertus Jacobus Swaanswijk) was een Nederlandse kunstenaar en dichter (lid van de Vijftigers) die voor het eerst bekend werd als de dichter van de COBRA- beweging, de avant-garde kunstbeweging waartoe ook onder andere Karel Appel, Constant en Asger Jorn behoorden.

Lucebert (1924-1994) schreef zelf het 20 pagina vullende lichtelijk absurdistische, bij tijd en wijle vileine maar oh zo heerlijke voorwoord. Een aantal zinnen uit dit voorwoord wil ik jullie niet onthouden: “Dichters! Dichters! Bah, ze vreten slecht en ze kakken slecht, zodat we gerust kunnen vaststellen, dat ze niet eens voor zichzelf produktief zijn. Plato en Multatuli hadden groot gelijk…” of “Iedere ontploffing van een motor, is een hoestaanval van de duivel, zegt Indro Montanelli. Dit is natuurlijk een understatement. Zo’n ontploffing lijkt me meer een schreeuw van een eeuwig verdoemde, die voortgedreven door geselende en vlammenwerpende duivels, nooit rusten mag op de weg die nergens begint en nergens heenvoert”.

De poëzie van Lucebert in een lange monoloog verpakt als voorwoord. Uit deze bundel waarin ook enige tekeningen van zijn hand zijn opgenomen, koos ik het gedicht ‘Dichters zijn om te dichten’.

.

dichters zijn om te dichten

.

‘de dichter draagt het mombakkes der poëzie

op vastenavond alleen, breekt

aswoensdag aan, is ook dit feest voorbij’

zeker, zonder een zuiverend stortbad

zweet en zonder O M O van een purgerende honger

geen paleis van paarlen op een grashalm

te betreden

.

ook blinden kunnen in het licht tasten

was ter haar’s  vrede die de kudde voorgraast

onpoëtisch? is dat een meisje alleen

dat voor vrede speelt?

nee, niet elk lam lam gods of van elk ram een gulden vlies

maar zijn prozaïsche schaapjes op het droge hebben

maakt op den duur ook deze dieren zo dorstig

dat zij zowaar blaten naar het nutteloos

moeras der poëzie

eertijds in china tastte vaak een advocaat

in zijn broek revelerend zijn lid inciterend

bla bla bla bla

een voorzichtig op een oordeel aforerende rechter

struikelt beteuterd over zoveel vooroordeel

.

 

Emily en Yentl

Yentl van Stokkum

.

Behalve redactielid bij Hard//Hoofd en redacteur bij De Revisor maakt Yentl van Stokkum (1991) ook deel uit van het drietal dat het instagramkanaal @Poëzieiseendaad bedacht en maakt (samen met Joost Oomen en Stefanie Liebreks). Ze was kort kunstdocent in het middelbaar onderwijs. Nu schrijft ze theaterteksten, hoorspelen, poëzie en essay’s.

In 2017 studeerde ze af aan de HKU-opleiding Writing for Performance. Van 2017 werd ze geselecteerd voor het talentontwikkelingstraject Slow Writing Lab van het Nederlands Letterenfonds, waar ze het spanningsveld tussen poëzie en seance onderzocht aan de hand van het werk van Emily Brontë. Daarnaast is ze actief bij het onvolprezen Raadgedichten, verschenen haar gedichten in Tirade, de Revisor, op Samplekanon en Hard//hoofd, en publiceerde ze twee dichtbundels; ‘Ik zeg Emily’ (2021) en ‘Winterbloeiers (2023).

Uit de bundel ‘Ik zeg Emily’ komt het volgende gedicht getiteld

.

Gesprek met Emily

.

je denkt dat je schrijver bent maar je bent een vrouw
bijt in vruchten bij volle maan
er druipen sappen langs je mondhoeken
langs je kin
op de grond
het is filmisch en aangeleerd
je knipoogt erbij
je hebt altijd publiek
dat is een gegeven

.
voor het slapen verwijder je de vlekken van de vloer
je gebruikt een geel doekje
ook dat is aangeleerd
je kijkt nachtenlang naar de maan
terwijl je verlangt naar een man
een vrouw
een geliefde
of kind

.

Foto Oscar van Beest

 

 

Doe maar

Dicht maar

.

Het Poëziepaleis organiseert dit jaar weer een gedichtenwedstrijd voor 12 tot 18 jarigen. Tot 5 februari kunnen maximaal 3 gedichten worden ingezonden. Zie de website van het Poëziepaleis. Van de duizenden inzendingen die ze verwachten, worden de beste gedichten gekozen die een plekje in de dichtbundel ‘Doe Maar Dicht Maar 2024’ krijgen. De tien allerbeste dichters, vijf winnaars uit de leeftijdscategorie 12 t/m 14 jaar en vijf winnaars uit de leeftijdscategorie 15 t/m 18 jaar, krijgen een uniek cadeau met hun gedicht erop.

De jury bestaat uit dit jaar uit goede bekenden: Ingmar Heytze, Daniël Dee, Sannemaj Betten, Wout Waanders en Yentl van Stokkum. In 2023 won in de categorie 12-14 jaar Amber Vanlerberghe met het gedicht ‘Zwembad’. Van haar gedicht werd een animatie gemaakt die je hieronder kunt bekijken.

.

Zwembad

.

Overdag
Zitten er 1000 mensen in mij
Die spetteren, spugen en spatten
Vanaf veraf ben ik helderblauw, maar vanaf dichtbij
Zie je de pleisters en vreemde vloeistoffen

.

Meeuwen dobberen op mijn oppervlak
Ze laten frietjes in me vallen
Mijn water wordt vies gemaakt
Door de make-up van de vrouw met het roze badpak
En iedereen vindt het normaal

.

Iedereen vindt mij normaal

.

Maar om middernacht
Als ik leeg ben, als het te donker is om iets te zien
Dan weerspiegelen de sterren en de maan in mijn water
Dan zou ik uit een verhaal kunnen komen, een sprookje zelfs misschien
Ik zou de poel van de Vrouwe van het Meer kunnen zijn
Een vijver wiens water mensen verlost van alle pijn
Er zouden magische kringen van paddenstoelen en elfen om mij heen kunnen staan
Dan is alles mogelijk
Tot het 10 uur ‘s ochtends is en de poorten weer open gaan

.

Nieuw Nederland

Ramsey Nasr

.

In 2012 verscheen bij De Bezige Bij de bundel ‘Mijn nieuwe vaderland’ gedichten van crisis en angst van Ramsey Nasr (1974). Na in 2009 voor vier jaar benoemd te zijn tot Dichter des Vaderlands (pas vanaf 2017 is de benoeming steeds voor twee jaar) stelde Nasr deze bundel samen met gedichten die hij schreef in zijn tijd als Dichter des Vaderlands en aangevuld met, als integraal onderdeel van deze bundel, twee opiniestukken.

Nasr schrijft in zijn voorwoord: ‘Mijn nieuwe vaderland’ gedichten van crisis en angst gaat in op een oude vraag die plots weer actueel blijkt: wat is de functie van een kunstenaar in onze samenleving? In hoeverre moet, mag, kan deze zich inlaten met maatschappelijke of politieke kwesties? Zitten kunstenaars werkelijk opgesloten in ivoren torens? Vervolgens citeert hij uit wat hij fanmail noemt, waarbij de zin ‘Dit is geen dichter des vaderlands, maar een vijand des vaderlands’ nog een milde is. Hij citeert ook nog een aantal grove, ronduit fascistische commentaren op zijn dichterschap en concludeert: Het gaat goed met de poëzie. Ze moet dood, dus ze leeft.

In het eerste deel van deze bundel staat onze hang naar vrijheid centraal, in het tweede deel de Nederlandse cultuur: hoe ziet die er eigenlijk uit? De bundel eindigt met een lang gedicht waarin expliciet wordt ingegaan op de relatie tussen kunst en politiek. Nasr eindigt zijn voorwoord met: ‘.. Ik ervaar eenzelfde angst als de bejaarde vrouw achter de begonia’s, die naar buiten kijkt en haar land niet meer herkent. Het is juist deze overeenkomst die ons verdeelt, almaar meer. Dat maakt onze crisis zo diep. Links, rechts, autochtoon, allochtoon, het volk, de elite, álle tegengestelde krachten komen op voor het behoud van Nederland. Met exact dezelfde argumenten bevechten we elkaar, met dezelfde argumenten verwijten wij de ander stekeblind te zijn en de ondergang te vormen van onze nationale waarden, onze vrijheid, cultuur.’ En: ‘Ik ben niet bang voor bezuinigingen, voor de PVV of de islam. Ik ben bang voor de Nederlandse slang die zichzelf ongemerkt in de staart heeft gebeten.’

Hoewel deze bundel inmiddels 12 jaar oud is heeft ze aan actualiteit, urgentie en belang niets ingeboet. Sterker, ze is misschien nog wel belangrijker nu dan in 2012. Ik zou dan ook willen zeggen: lees deze bundel!

In het eerste deel van deze bundel, na een gloedvol betoog waarom in Nederland vrijheid een leeg begrip is geworden en vooral misbruikt wordt wanneer het ons uitkomt, staan drie sonnetten die Ramsey Nasr schreef naar aanleiding van de viering van vier eeuwen trans-Atlantische betrekkingen in het Roosevelt Study Center in Middelburg in aanwezigheid van onder andere de toenmalige minister Maxime Verhagen. Na afloop wordt Nasr gevraagd door een medewerker van het ministerie of het een goed idee zou zijn als Verhagen de sonnetten in een vertaling zou voorlezen tijdens officiële festiviteiten in New York. ‘Of in elk geval de eerste twee…?’.

Die eerste twee sonnetten gaan over de Nederlanders die via de Hudson dwars door Amerika op zoek naar Azië en de tweede over Nieuw Amsterdam (wat later New York werd). het derde gedicht gaat over het ‘nieuwe Nederland’. Alle reden voor mij om juist dit gedicht hier te delen.

.

nieuw nederland

.

o bron van humanisme, blakend lichtpunt

o bakermat van zeldzaam burgerschap

wie luistert nog naar ons? dat zijn dan leiders

ze schallen hier hun christennormen rond

.

hangen fraai de morele misthoorn uit

maar in amerika (en nooit primetime)

doen ze het glimmend in hun broek van trots

stelen we tijd in het koelwitte huis

.

wat is een gidsland nog in zo’n positie

wij varen braaf achter de grote baas

’t is imposant: een vloot van vijftig staten

.

plus nog een luchtbed om hen op te jagen

GEZOCHT: grote malloten met een visie

die dromen kunnen en de zee doen kraken

.

Dagboek van de toren

Corneille

.

Soms krijg of koop ik een bundel die me in meer opzichten verrast dan alleen door de poëzie die erin is opgenomen. Toen ik ‘Het dagboek van een toren’ van kunstschilder en dichter Corneille (1922-2010) kocht wist ik nog niet wat ik in handen had. Dit boek is uitgegeven naar aanleiding van de jubileumtentoonstelling ‘Poetry, the artist’s muse’ de 20ste verjaardag van galerie Elisabeth den Bieman de Haas, die plaatsvond tussen 25 april en 25 mei 2001. De bundel bevat poëzie van Corneille in het Frans, vertaald naar het Nederlands en Engels door Hepzibah Kousbroek.

De titel van dit boek is ontleend aan een toren genaamd La Peschiera die vier eeuwen oud is en in Italië ligt. Corneille verbleef er sinds 1973 regelmatig. De toren behoorde toe aan een adellijke familie waarvan de laatste telg markiezin Irene de Ciccolini was. Zij woonde er tot haar dood enkele jaren voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Het domein werd na haar overlijden overgedragen aan paters en in de oorlog bewoond door een jonge officier en enige soldaten. Na de oorlog kocht een aannemer uit Ancona het.

Het boek heeft, door de vertalingen maar liefst drie titels: ‘Het dagboek van de toren’, ‘Diary of the tower’ en ‘Journal de la tour’. Achterin het boek staat een tekening van Corneille (in druk uiteraard) van de toren die hij maakte in 1997. Journal de la tour verscheen voor het eerst in 1975 met een vertaling in het Italiaans. In 1981 verscheen een editie uitsluitend in het Frans.

Ik koos voor een gedicht waarin het favoriete dier van Corneille voorkomt; de vogel.

.

De spoorwegovergang luidt

belletjes van Tibetaanse koeien.

Terwijl de stoomtrein

onverpoosd doorhijgt om snel

daar te zijn waar die zachte

hermelijne wezens wachten,

hooggehakt, hun benen in foedralen,

gestrekt met holle rug en licht

wiegend bekken.

De baren van de nacht hebben

bontgekleurde vogels bevrijd en je

hoort de zee onvermoeid

aan de keien van het strand zuigen.

.

Adopteer een gedicht

Weesgedichten

.

Van Haarlem tot Den Haag, van Geleen tot Zutphen, van de Bollenstreek tot Soest en van Oud Beijerland, via Rotterdam tot aan Maassluis, in heel veel plaatsen in Nederland doen bibliotheken mee aan de pilot van Weesgedichten in Nederland. En hoewel de pilot eigenlijk alleen gericht was op Zuid Holland hebben toch een aantal bibliotheken in Nederland al de stap durven zetten om ook dit jaar al mee te doen.

Weesgedichten, bedacht en georganiseerd vanuit de Utopia, de bibliotheek van de gemeente Aalst in Vlaanderen, is daar inmiddels al een begrip. Midden in de Coronapandemie (januari 2021) besloot men dat men de Poëzieweek 2021 niet zomaar voorbij wilde laten gaan. Uit de gezamenlijke kokers van een paar Utopianen rolde de gedachte om weesgedichten te laten adopteren door eenieder die dat wou.

Tussen het idee en de uiteindelijke uitwerking lag een volledig onontgonnen pad. Uiteindelijk slaagden men erin om maar liefst honderd gedichten op evenveel ramen aan te brengen. Maar daar bleef het niet bij. Aangezien de website met de honderd weesgedichten in minder dan één uur volledig ‘uitverkocht’ was, begonnen mensen – individueel, maar ook een volledig buurtcomité – spontaan zelf gedichten op hun ramen aan te brengen.

In 2023 deden al 96 Vlaamse bibliotheken mee en werden maar liefst 3000 gedichten op ramen aangebracht, waarmee het het allergrootste (straat)poëzieproject van België ooit werd. En nu, voor de Poëzieweek 2024, is men de grens overgestoken (of eigenlijk zijn wij, de stichting De Zoek naar Schittering, de grens naar België overgestoken) om dit mooie project ook naar Nederland te halen.

Waar ik vorig jaar rond deze tijd mijn twijfel uitsprak over de Nederlandse inbreng in de Poëzieweek, heb ik nu weer veel vertrouwen in activiteiten en deelname in dit mooie project. Maar willen we het project volgend jaar landelijk kunnen uitrollen dan moet de pilot een succes worden. Ik spreek regelmatig mensen die Weesgedichten een warm hart toedragen maar met alleen een warm hart komen we er niet. We hebben adoptieouders (en dus ramen!) nodig.

Zelf heb ik in mijn bibliotheek en mijn woonplaats een raam beschikbaar gesteld en een gedicht geadopteerd. In mijn geval een gedicht van een Vlaamse dichter (als dank) die ik al langer ken, Shari Van Goethem. Maar als je haar als dichter niet kent (dat wordt dan wel tijd) zitten er in de lijst van aangeboden gedichten vast en zeker gedichten bij die je aanspreken of namen van dichters die je kent. Dus doe mee, zoek de gemeente op in de kaart, meld je aan en selecteer een gedicht. Fotootje van je raam erbij (als je een bericht krijgt dat je foto teveel MB heeft, maak dan via Whatsapp een foto en sla deze op in je foto’s, dan lukt het zeker) en binnenkort in de Poëzieweek prijkt er een gedicht op je raam. Het gedicht dat ik uitkoos van Shari Van Goethem wil ik hier alvast delen.

.

avond aan avond als de tijd zich terugtrekt

in een wilde bloem

luisteren we naar de zwarte kamer

.

het is genoeg

.

wanneer haar muziek te licht klinkt

steken we van de dag het vuur aan

het vlammetje is zuinig

.

toch is dat genoeg

.

Aubergine

Drs. P

.

Het is voor mij altijd een groot plezier om te lezen in de bundel ‘Tante Constance en Tante Mathilde’, liedteksten van Drs. P (1919-2015) uit 1999. Natuurlijk ken ik de teksten, liedjes en gedichten van Drs. P niet allemaal (het zijn er vele!) en dus word ik nog weleens verrast wanneer ik de bundel lees of doorblader. Zo ook dit keer. Om twee redenen eigenlijk.

Allereerst omdat het gedicht ‘Aubergine’ bij mij onmiddellijk de gedachte naar boven bracht aan de emoiji of emoticon van een aubergine, die, zoals je ongetwijfeld weet, wordt gebruikt als penis in SMS- en Whatsappberichten maar als tweede deed dit gedicht of deze liedtekst mij ook meteen teruggaan naar de tijd dat de poëziestichting Ongehoord! nog tweemaandelijks een poëziepodium organiseerde in de openbare bibliotheek van Rotterdam.

Vaste gastdichter daar was de onvolprezen en bijzondere Rieneke Minderman-Grobben (1944-2018), de lady in pink (ze was altijd volledig gekleed in het roze). Zij las haar gedichten steevast voor vanaf een behangrol die ze zelf beschreven had. In haar gedichten maakte ze graag gebruik van opsommingen en had daarbij ook soms een voorkeur voor Franse termen zoals bijvoorbeeld in haar gedicht ‘Op z’n Janboerenfluitjes’ en ‘Crime passionel’. Het gedicht ‘Aubergine’ deed me daar meteen aan denken.

.

Aubergine

.

De aanblik van la belle Philippine
Was een der top-attracties van de stad
Zij was een twintigjarige blondine
Elle est tres fine, elle est divine
Zowel de koopvaardij als de marine
Alsook de brandweerlieden zeiden dat

.

Het was opwekkender dan cocaine
Als Philippine voor ’t venster zat
Gekleed in allerfijnste Crepe de Chine
Of mousseline, of levantine
Gelijk een pronkjuweel in een vitrine
Gelijk een jonge prijsbekroonde kat

.

Zij was in hoge mate feminiene
De mannen die haar zagen gingen plat
En zij begeerden haar als concubine
Maar Philippine had discipline
Was ongenaakbaar als een capucine
Of als een dichtgevroren sleutelgat

.

Een oude rijkaard in een limousine
Kwam echter zeer strategisch op haar pad
Hij toonde haar een mooie aubergine
Een aubergine, een aubergine
Hij mocht naar binnen voor een aubergine
Een aubergine die ze daarna at

.