Site-archief

Zij zei

Marije Langelaar

.

In de nimmer tanende rubriek ‘blind gepakt’ of ‘uit mijn boekenkast’ stond ik vandaag op een stoel voor de bovenste planken. Toch nog een kleine uitdaging want ogen dicht en met je vingers langs de ruggen gaan tot je denkt; Ja deze. Het ging goed, ik pakte uiteindelijk de bundel ‘De rivier als vlakte’ uit 2003 van de wisselend in Nederland en België wonende beeldend kunstenaar, dichter en schrijver Marije Langelaar (1978). Ik opende de bundel op de bladzijde waar het gedicht ‘Zij zei’ staat. Daarom hier en nu dit gedicht.

Het gedicht begint lieflijk en vrolijk, een liefdesgedicht volgens het boekje. Tot het tweede deel, dan nemen de zaken ineens een onverwachte wending.

.

Zij zei

.

Zij zei

ik wil je laten schrikken en beminnen

.

hun ogen straalden

zelf wilden zij dit verbergen

hun lichaam leek zo licht

zij vlogen over stenen

.

ze hebben toen van het hotelplan afgezien

hij is naar een meer gereden

zij hield steeds zijn handen vast

.

ook toen hij wild in de bocht

door een felle schittering van zon

de auto niet meer kon houden

in ravage is de auto op

een schuur geknald

.

ja ze waren levend

maar het rood van de auto

bladderde op hun handen

hij had zich gesneden

door de val waren een paar van

haar schitterende haren uitgerukt

.

maar ze hebben elkaar uit de auto gesleept

daar hebben ze elkaar

waanzinnig bemind

.

hij streelde de resten van haar ledematen

zij heeft hem als een gek gezoend

hij noemde haar mijn rompenvrouwtje

zij noemde hem mijn kampioen

het bloed vloeide

dat wel

maar ze gingen op als in een wonder

.

Twee gezichten

Riekus Waskowsky

.

Over de Rotterdamse dichter Riekus Waskowsky (1932-1977) schreef ik al eerder. Pas geleden las ik in ‘Verzamelde gedichten’ uit 1985 en wat me opviel was dat Waskowsky zowel een serieuze dichter was getuige bijvoorbeeld het gedicht ‘Archeoloog’ uit 1966, maar ook een kant had die helemaal niet serieus was. Die laatste vrolijke kant van zijn dichterschap doet denken aan gedichten van Jules Deelder. Een voorbeeld van deze vrolijke kant is bijvoorbeeld het gedicht ‘Lourdes’ uit deze ‘Verzamelde gedichten’.

Om deze twee kanten van Waskowsky nog eens te benadrukken wil ik hier nog twee gedichten van hem plaatsen. Allereerst het gedicht ‘Park’ wat een serieus gedicht is, gevolgd door een gedicht zonder titel uit 1976 dat vrolijk maakt.

.

Park

.

Stadspark in de middag…

‘Ik ben nog maagd’

zegt de achterkant van een eik.

.

De spreeuwen op het grintpad

schrikken en vliegen weg.

De huisvrouw op de bank,

zij volle chinese godin

haar boezem bloost over en over,

zucht,

en staat op en gaat verder.

.

Koester dan traag de rode zon

een licht ontgoochelend gebeuren.

.

*

Een vrouw mag dan

pakweg duizend gezichten hebben

haar borsten

zijn op een hand te tellen

 .

 

 

Zee in twee verzen

Frans Kuipers

.

Wanneer je, zoals ik, vlak bij de zee woont is het niet verwonderlijk dat ik graag en vaker over poëzie en de zee, het strand en de duinen dicht en schrijf. Zo schreef ik in 2009 al eens een gedicht bij kunst van Nancy Demeester uit Ieper, dat over het stiltegebied dat de duinen vaak zijn. Ook schreef ik in 2022 over de bundel ‘Op ’t duin’ een bloemlezing van 100 gedichten en 100 kunstwerken over de duinen.

Ik moest hieraan denken toen ik de bundel ‘100 mooie gedichten over de zee’ in handen kreeg. Deze bundel, samengesteld door Bart Plouvier (1951, schrijver en zelf zeeman geweest staat in het voorwoord) uit 1996, heeft als ondertitel; Soms raakt de zee van liefde puur verstild, de beginregel van een gedicht zonder titel van Bertus Aafjes genomen uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1990.

Veel bekende dichters bezingen de zee in hun poëzie als element, als werkterrein, als metafoor, als biotoop of als landschap. Verschillend van toon en inhoud (nostalgisch, vol heimwee, vrolijk , onheilspellend) maar zeer divers. Uit deze 100 gedichten heb ik gekozen voor twee verzen van Frans Kuipers (1965-2004) met als titels ‘Vers 31’ en ‘Vers 52’. Beide gedichten verschenen oorspronkelijk in de bundels ‘Gottegot & Bubble up’ uit 1977 en ‘Een toerist in Atlantis’ uit 1980.

.

Vers 31

.

Wanneer ik dan oud zal zijn en

niemand meer mijn baard wil strelen

.

wanneer jij voor mij

zult opstaan in een trein en alleen

nog maar je zitplaats aan zult bieden

.

eens wanneer ik met een mond vol valse tanden

in het aanschijn van de dood, de dood,

de dood zal staan

.

rol dan mijn rolstoel rustig naar de bodem van de zee

en laat mij daar dan bellen

van mijn laatste tranen blazen.

.

Vers 52

.

I

Op een handdoek,

tussen duizenden badgasten,

het werd moeilijk

de zee te horen klotsen, Kloos

.

II

Maar dan ’s avonds – als baders

hun biezen pakken – het strand:

Een geteisterde pleisterplaats.

Vuurtorens gesmeerde bliksem

en tot diep in de nacht

.

liefde het giechelende spook van de duinen.

.

Immervoort en nimmerpoos

Marten Toonder

.

Soms weet ik even niet waar ik over zal schrijven. Zoals nu. Wat ik dan doe is in mijn foto’s kijken of en waar ik mogelijk aanknopingspunten kan vinden voor een nieuw bericht. Dat heb ik gedaan en ik vond een aanleiding in een foto van een vrolijk gezicht. Dit gezicht is ooit door mijn oudste dochter met een lippenstift op de muur van haar kamer getekend. Omdat het zo’n vrolijkmakende tekening is en omdat je zoiets gewoon wil bewaren hebben we de tekening altijd laten zitten.

Dat is stap 1, een foto waar je dan een gedicht bij zoekt. Toen ik het gedicht ‘Immervoort en nimmerpoos’ van Marten Toonder (1912-2005) tegenkwam wist ik het; dit was het gedicht. Dit gedicht is zo heerlijk mal en vrolijk, ik had bij het lezen van dit gedicht een zelfde ervaring als ik had bij het voor het eerst zxien van deze tekening. Uit de bundel ‘Aan het werk’ uit 1981 het gedicht ‘Immervoort en nimmerpoos’.

.

Immervoort en nimmerpoos

.

Opgetoerd en stripbeloerd

fieber ik een inktselploert,

en brouw het fabelsoort

waaraan geen einder gloort,

want toefselwalm geeft luierroos.

Immervoort en nimmerpoos.

.

De fantadoos, die trillers boort,

Smiespert grollig maar gesmoord.

En ik fieber dan een lang morso

van doening en van vermiso,

Maar prusel pal, want toef is voos.

Immervoort en nimmerpoos.

.

Geslachtelijke bepaling

Marieke Lucas Rijneveld

.

Afgelopen week keek ik op televisie naar het programma ‘Nationalisten’ van Rutger Castricum, waarin hij een inkijkje geeft in de hoofden en denkwijzen van nationalisten. In dit geval is de term nationalist erg breed, hij spreekt met complotdenkers, radicaal rechtse telegrammisten, de voorzitter van de jeugdafdeling van Forum maar ook met afgehaakte jongeren (defensie), rabiate fascisten tot aan een jongere van de SGP.

Ik kijk hiernaar met een mengeling van afschuw, interesse (hoe denken deze mensen) en opstandigheid (hoe kun je zo krom en vaak dom denken). De voorzitter van de jongerenafdeling van Forum, dochter van Iraakse vluchtelingen die het heeft over de blanke Nederlander (sic), de SGPer die alles platslaat door maar steeds naar de bijbel te verwijzen en een oud militair die een staatsgreep wel ziet zitten. Heel onfris en onguur vind ik het. Maar om fout gedachtengoed te bestrijden moet je het kennen (dat lijkt me in deze ook het uitgangspunt van Castricum).

Waarom schrijf ik dit? Omdat ik tijdens een uitzending moest denken aan een dichter die een groep vertegenwoordigt waar de nationalisten niets van moeten hebben (dat kwam ook vooral bij de SGP-er naar voren, waar het zeker van bekend was) namelijk de LHBTIQ+ beweging. In de serie wordt afschuw uitgesproken over drag-queens die voorlezen aan kinderen maar er is ook volledig onbegrip over geslachtsverandering (in de woorden van de SGP jongere: God heeft man en vrouw geschapen en dat is het, zo moet het blijven) waarmee hij een grote groep mensen af serveert.

Ik moest, zoals gezegd, denken aan Marieke Lucas Rijneveld, een van de leukste en vrolijkste dichters die ik ken, en ik ken hem al heel lang. In de bundel ‘Komijnsplitsers’ staat een gedicht waar ik tijdens de uitzending aan moest denken getiteld ‘Geslachtelijke bepaling’. Als tegenwicht tegen zoveel onverdraagzaamheid (want dat is een leidend thema van deze serie; de volkomen onverdraagzame houding tegenover alles wat anders is, en waarvan de geïnterviewden waarschijnlijk niet slim genoeg zijn om te begrijpen of zo volledig over geïndoctrineerd zijn dat men het gewoon niet wil begrijpen) wil ik hier dit gedicht plaatsen. De wereld verandert, mensen veranderen en hebben de vrijheid om te zijn wie ze willen zijn. Dat kan je misschien niet altijd begrijpen maar wel accepteren.

.

Geslachtelijke bepaling

.

Trok in plaats van een grijs vest een jongen aan.
Zo vaak in de slobberfase gezeten dat er weinig postuur overbleef,
ik kon voor alles doorgaan. Het was te groot bij mijn schouders,
ach het kon me wat. Met veel dingen heb ik vrede gehad,

.

maar niet met geslachtelijke bepaling, met blauw of roze speelgoed.
Wilde ruw zijn en tegelijk lief, kocht op een dag mijn eerste piemel
voor zeventienvijftig. Ik waste hem voor het slapengaan zachtmoedig,
rolde hem door maïzena om hem levensecht en houdbaar

.

zoals de bijsluiter beweerde – en maakte een keuze, rechts of links dragen.
Streelde hem te pas en te onpas, verlangde steeds vaker naar een vrouwenhand,
o alsjeblieft, een vrouwenhand. Piste tegen iedere boom die ik tegenkwam,
riep soms God aan: laat dit nooit voorbijgaan.

.

Maar mensen hielden niet van grijze vesten. Ze zeiden:
onder al die laagjes zit een meisje verscholen, dat zo vaak verkouden is,
ze staat al jaren op de tocht. En ze knepen in mijn bovenarmen,
schudden moedeloos het hoofd, schopten tegen mijn kuiten in de hoop

.

dat ze roze, balden hun vuisten. Je moet weten: niets was mij vreemd.
Dit ongenadig betasten, deze donderpreek. Dit gejammer
over de natuur en zijn beloop. Ik schreeuwde de longen uit mijn lijf,
gumde beterschap noch vrede uit al mijn tekenschriften.

.

Kreeg bloemen, gatverdamme te veel bloemen, en maakte mijn borst
schaamteloos plat, streek iedere ochtend de kreukels uit mijn vertrouwen.
Tuurde tussen mijn benen in de hoop dat de piemel aan zou groeien.
Alles wat te bepalen valt, heeft ongeschreven regels.

.

Literaire anekdoten

Gerrit Achterberg

.

In 1988 verscheen bij de Bijenkorf ‘Het literair anekdoten boek’. Een onderhoudend en vrolijk boek, zo belooft de achterflap. En dat is het ook. Een boek vol onderwerpen (op alfabetische volgorde) met de meest bizarre, ongelofelijke en interessante feiten en feitjes aangaande de literaire wereld. Uiteraard ben ik dan in het bijzonder geïnteresseerd in de anekdoten rondom poëzie en dichters en daarin word ik niet teleurgesteld.

Zo is er bij het onderwerp Pinksterprijs het volgende te lezen: De dichter Gerrit Achterberg (1905-1962) kreeg slechtsgedicht, gedichten, dichtbundel, gedichtenbundel, poëziebundel,  geleidelijk aan literaire erkenning. ‘Toen in 1946 opnieuw een literaire prijs aan Achterberg voorbijging (de prijs van de Maatschappij voor Letterkunde werd toegewezen aan Ida Gerhardt, een feit waartegen Bertus Aafjes, Vasalis en Ed. Hoornik in Vrij Nederland protesteerden), besloot mr. Joan Th. Stakenburg, onder toejuiching van literaire vrienden aan een cafétafel van Reynders in Amsterdam, de eenmalige Pinksterprijs ( ƒ 1000,-) voor Achterberg in te stellen. De prijs werd toegekend voor de bundel ‘Radar’ en uitgever-boekverkoper Balkema stelde de gehele opbrengst ter beschikking van Achterberg’.

In de jaren hierna kreeg Achterberg de erkenning die hij verdiende. Zo ontving hij onder andere in 1949 de P.C. Hooft-prijs en in 1959 de Constantijn Huygens-prijs en wordt hij beschouwd als een van de belangrijkste dichters in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie.

Uit de bundel ‘Radar’ komt het gedicht ‘Qualiteit’. Voor een analyse van het gedicht kijk je op deze website.

.

Qualiteit

.

Hebt gij volgorde nog
van boven naar beneden,
van links naar rechts, alsmede
totaalgetal en samenhang?
Bleven de maten even lang,
die ik op u heb aangebracht?
Zijt gij uzelf de eerste nog
en eenige, of alreede
zevende, negende, ongeacht
welk ranggetal in reeksen,
die u vermeesterden, in  ‘t zog
trokken der quantiteit …. en toch
hield gij daarin het teeken,
dat u bewaart en duidt tot in
verste verandering?

.

Vrolijke vrijdag

Herman Finkers

.

Nu het weer is omgeslagen, de dagen grijs, nat en koud zijn geworden, heeft iedereen wel behoefte aan wat warmte en ontspanning lijkt me. Daarom introduceer ik hier de ‘vrolijke vrijdag’ en zal ik de komende vrijdagen op dit blog louter humoristische, absurde, slapstickachtige, gekke en ironische gedichten plaatsen. Dat veel van deze gedichten light verse zijn spreekt bijna voor zich, daar de beoefenaren van dit genre vaak uitblinken in scherpe, komische en vrolijke poëzie.

Vandaag wil ik beginnen met een gedicht (liedtekst) dat meteen in de titel al goed de toon zet. Het is het getiteld ‘Vinger in de bibs’ van cabaretier en plezierdichter Herman Finkers (1954). Het gedicht is genomen uit ‘Ich bin ein Almeloër’ uit 1996 en te beluisteren via YouTube.

.

Vinger in de bibs

.

De canyonkreekjes tintelen

de zon komt prachtig op

stiekem zit een bloempje

te gluren uit haar knop.

De ochtend wekt de prairie

een cowboy is al op

vertroetelt met zijn merrie

dat bloempje in galop.

.

De cowboy, hij heet John,

stopt bij Mary-Lou

en bedelt Mary-Lou:

‘Zeg Mary-Lou, word jij mijn vrouw?’

Zij raakt geprikkeld warm daarvan

want John als man dat is niet niks

en stopt uit pure geestdrift dan

een vinger in haar bips.

.

Geschrokken stottert John:

‘Wat onbeschaafd gedouw

je bent een grote viesterd

ik zoek een andere vrouw.’

Beschaamd stamelt zij:

‘Ik heb al reeds berouw

vergeef mijn rappe vinger

en trouw je Mary-Lou.’

.

De liefde vat weer vlam

en lekker warm wordt John

zij zucht dan tegen John

‘Mijn hart hijgt naar jou, o John.’

John schenkt haar voor de eerste keer

een kus die knapt als verse chips

dan stopt ze – gatverdakke –

weer een vinger in haar bips.

.

De druppel die de emmer

hij stapt weer op zijn paard

ziet af van zo’n vies meisje

verdwijnt in volle vaart.

En Mary-Lou, ’t is droevig

zij weent er onbedaard

en wordt door alle roddel

als bruidje niks meer waard.

.

Puisten en de pest

o, elke nare kwaal

ze kreeg het allemaal

dus luistert meisjes allemaal

zoekt u een levenscompagnon

voeg bij uw lijst van huwelijkstips

de raad van dit chanson

stop nooit een vinger in uw bips.

.

Waren er vroeger al ijstijden?

Gelooft u in dood na het leven?

Is er ook flora en fauna in het dierenrijk?

.

– Mag ik een boterham?

,

Nee.

.

.

 

Lévi Weemoedt

Jesaja II, vers 6

.

Vandaag een vrolijk stemmend vakantiegedicht van de meester van het korte vers met glimlach Lévi Weemoedt (1948). Uit zijn bundel ‘Rijk verleden’ uit 1999 het gedicht ‘Jesaja II, vers 6’.

.

Jesaja II, vers 6

.

’t Wordt eind’lijk rustig, zo’k vernam,

in ’t Vrederijk van onze Heer:

.

o, daar verkeert de wolf bij ’t lam,

de panter ligt bij ’t bokje neer,

de leeuw en ’t muisje spelen dam,

de bij rijdt paardje op een beer!

.

En slechts mijn buren, ’t echtpaar Stam,

gaan krijsend tegen elkaar tekeer.

.

Juni

Bijna vergeten dichter

.

Leo Ross (1934-2014) werd geboren in Zwartsluis. Op het gymnasium in Middelburg leerde Ross de drie jaar oudere Guus Vleugel kennen, de latere dichter Guus Valleide. In 1951 ging hij studeren in Amsterdam. Hij sloot toen een hechte vriendschap met Willem Wilmink, jaargenoot (als Neerlandicus) en dispuutgenoot.  Hij werd toen Lektor für niederländische Philologie aan de Universiteit van Münster, Westfalen.

Voor zijn ontwikkeling belangrijke reizen maakte hij in 1965 en 1966 naar Griekenland; hij leerde Grieks uit een Duitse grammatica. In 1969 keerde hij terug naar Amsterdam als docent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde aan de Vrije Universiteit in 1994, gezamenlijk met collega-Neerlandicus Rob Delvigne.

In 1982 maakte hij deel uit van de jury voor de prestigieuze (Belgische) Europese literatuurprijs, toen een Griekse schrijver bekroond werd. In de PEN maakte hij zich verdienstelijk als lid van de werkgroep Writers in prison.

Leo Ross debuteerde in 1952 in het Amsterdamse studentenblad Propria Cures (PC) met een gedicht uit zijn gymnasiumtijd. De debuutbundel ‘L’Amour vert’ (1962) stond onder de invloed van Hans Lodeizen. Met groter ernst gaat in ‘Classics’ (1967) ook meer reflectie over de poëzie gepaard.

Hoewel Ross zijn eerste essays publiceerde in 1954/1955 (in Propria Cures), dus ongeveer tegelijk met zijn vroege gedichten, slaat hij in beide door hem beoefende literaire genres een opvallend verschillende toon aan: de poëzie is zonnig en vrolijk, de essays venijnig en agressief.

In 2003 in het ziekenhuis begon Leo Ross distichons te schrijven, tweeregelige gedichtjes naar het voorbeeld van het grafschrift van Vondel. Tot 2009 verschenen er vier bundels ‘tweeregels’. Ross publiceerde in verschillende literaire tijdschriften als De Revisor, De Gids, Hollands Weekblad en Maatstaf.

Uit ‘L’Amour vert’ komt het gedicht ‘Juni’.

.

Juni

.

Ik wil mijn best doen zoals bloemen

hun best doen, van mijn leven

wil ik iets stijlvols maken, een reuzeneik

voor een kleurige vogel

.

maar ik lig op een strand in de zon

met een jongen die zachtjes snurkt en

speel met de tijd als met zand, dijken

bouwend en tunnels gravend.

.

 

Is het al Lente?

Dubbel-gedicht

.

Vandaag een dubbel-gedicht over de lente. Ik weet dat het deze week slecht weer is maar denk even terug naar afgelopen donderdag, toen was het al prachtig lenteweer en dat keert vast en zeker binnenkort terug.

Twee gedichten dus over de lente. Het eerste gedicht is van de dichter Menno Wigman (1966 – 2018) getiteld ‘Laatste lente’ en ik nam het uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 2019. Het gedicht verscheen oorspronkelijk ”s Zomers stinken alle steden’ uit 1997. Het gedicht gaat over de lente maar in tegenstelling tot de meeste gedichten over dit jaargetijde is er hier geen sprake van nieuw leven, licht, lucht en zonnige warmte maar is het gedicht (vrij naar Rilke) juist nogal donker en pessimistisch. Het lijkt in aanvang nog een optimistische toon te hebben maar dat verandert al snel na de eerste regels.

Het andere gedicht is van Ingmar Heytze (1970) en is getiteld ‘Lente’. Ik nam het uit zijn bundel ‘Alle goeds’ uit 2001. Het gedicht begint vrolijker dan dat van Wigman maar ook hier is er sprake van een omdraaiing na de 5e regel. De luchtige en vluchtige toon verandert ineens na het zien van de ‘jou’ die duidelijk de lente niet in het hoofd heeft, waarna de dichter zijn voorzorgen neemt.

.

Laatste lente

    (vrij naar Rilke)

Kok: het is tijd. De winter was zo nors.

Strijk nu het bloedgeld van uw pols

en laat het voorjaar op de armen los.

.

Beveel de bleekste mensen vrij te zijn;

verleen ze nog twee onbevreesde jaren,

behoed ze voor uw trouwste ambtenaren

en jaag een lente door hun pijn.

.

Wie nu geen geld heeft, ziet het nooit meer.

Wie nu berooid is, zal het nog lang blijven,

zal kijven, kwijnen, boze brieven schijven

en zwijgend voor gesloten deuren staan

als paarse woekeraars de huur opdrijven.

.

Lente

.

De lente is een onverschillig

niet te stoppen raderwerk.

Deze lente sneeuwde het

tussen roze bloesems door.

.

Dit had weinig om het lijf

totdat ik jou zag lopen

met een hoofd vol keien

en de nachtvorst in je blik.

.

Ik ben maar gauw

een winterjas gaan kopen.

.

                                                                                                            Foto: Arjo van Dijk