Site-archief

Lieke Marsman

Natalya Gorbanevskaya

.

Afgelopen vrijdag liep ik in de boekenwinkel op zoek naar een cadeautje voor mezelf (van mijn moeder) en daar zag ik ‘Op een andere planeet kunnen ze me redden’ van Lieke Marsman liggen. Ik kocht het en thuis gekomen las ik dat dit boek op die dag pas was uitgekomen. Spiksplinternieuw dus. En hoewel het geen dichtbundel is, werd ik toch aangetrokken door de inhoud. “dit boek is een filosofische trip tot in de diepten van de menselijke geest, afgewisseld met dagboekfragmenten die beschrijven hoe de dood haar op de hielen zit.”

Waarschijnlijk niet helemaal toevallig stond er gisteren in het Volkskrant Magazine een interview met Lieke Marsman (1990) over dit boek en haar situatie. In dit interview wordt geschreven over hoe Marsman op haar 17e een gedicht van Natalya Gorbanevskaya vertaalde (Het gedicht was vanuit het Russisch naar het Engels vertaald en zij vertaalde het naar het Nederlands). Een prima manier, zo vertaalde ik ooit begin deze eeuw het gedicht van Juhasz Gyula naar het Nederlands nadat het door een Hongaarse voor mij naar het Engels was vertaald. Mijn derde bundel kreeg zelfs als titel een zin uit dat gedicht.

Nieuwsgierig als ik ben wanneer ik dit sort verwijzingen lees ging ik op zoek. Natalya Yevgenyevna Gorbanevskaya  (1936 – 2013) was een Russische dichter, vertaler van Poolse literatuur en burgerrechtenactiviste. Ze was een van de oprichters en de eerste redacteur van A Chronicle of Current Events (1968–1982) een van de langstlopende samizdat– periodieken van de post-stalinistische Sovjet-Unie. In 1968 nam ze samen met zeven anderen deel aan de demonstratie op het Rode Plein in 1968 tegen de Sovjetinvasie van Tsjecho-Slowakije. In 1970 veroordeelde een Sovjetrechtbank Gorbanevskaja tot opsluiting in een psychiatrisch ziekenhuis. Ze werd in 1972 vrijgelaten en emigreerde in 1975 uit de USSR en vestigde zich in Frankrijk. In 2005 werd ze staatsburger van Polen. Slechts negen van haar gedichten waren gepubliceerd in officiële tijdschriften toen ze in 1975 de USSR verliet; de rest circuleerde privé ( samizdat ) of werd in het buitenland gepubliceerd (tamizdat).

Ook het gedicht dat Lieke Marsman vertaalde heb ik kunnen achterhalen.

.

Sterven is – de globe omkeren en leven aan de ommezijde,
tegenvoeter worden van de aardbodem en van het kind,
geen berouw meer kennen en verharden in bewusteloosheid,
het verschil vergeten tussen zuster, kind en minnaar.

Sterven is – van een brug af vallen als een lucifer,
die de oceaan op drijft en aanspoelt in het binnenland…
Wie niet gestorven is, weet niets en begrijpt niets,
hij zet een gebarsten glas aan zijn mond, of een gammele fluit.

.

 

New York Botanische tuin

Poëziewandeling

.

In de Botanische tuin van New York is het mogelijk een African American Garden Poetry Walk te lopen. Op de website van het NYBG geeft Dante Micheaux, programmadirecteur van de Cave Canem Foundation, een introductie. Hierin staat hij stil bij de betekenis van de bijdragen aan de Amerikaanse poëzie door vertegenwoordigers van de Caribische literatuur en hoe zij die verbinden met de flora en fauna (hij spreekt tenslotte vanuit zijn functie bij de botanische tuin).

Als eerste voert hij Derek Walcott uit Saint Lucia op. Hij schrijft over hem: “Hoe zijn poëzie bewijst dat het Caribische leven en de cultuur doordrenkt zijn van de natuurlijke wereld. Zijn voorlaatste bundel gedichten, ‘White Egrets’, werd in feite geïnspireerd door de flora bij de huizen van zijn dochters, ‘soms puta-bomen of flamboyanten of immortelles’, die in hem een ​​fysieke sereniteit teweegbrengen. In een gesprek sprak hij over gedichten die een herinnering van verwachting bevestigen en het is deze houding die ik hoop dat de gedichten die zijn samengesteld voor  African American Garden: The Caribbean Experience zullen overbrengen; dat de flora die in de gedichten verschijnt, en ook in de tuin zelf, plaatsen van herinnering en portalen worden naar een tijd of plaats die speciaal is voor elke individuele bezoeker.”

De gedichten die in de tuin zijn aangebracht zijn in het Engels, Spaans en Haitiaans Creools, van dichters als Desiree C. Bailey, Louise Bennett, Gustavo Pérez Firmat, Rico Frederick, Jane Alberdeston Coralin en Marie-Ovide Dorcely.

Desiree C. Bailey komt uit Trinidad en Tobago en Queens, New York. Ze debuteerde met de bundel ‘What Noise Against the Cane’, dat de Yale Series of Younger Poets Prize won en een finalist was voor de National Book Award for Poetry. ‘What Noise Against the Cane’ stond op de longlist voor de International Dylan Thomas Prize en de OCM Bocas Prize for Caribbean Literature en werd geselecteerd als een van de beste boeken van 2021 door de New York Public Library.

Desiree was de eerste Writer-in-Residence aan de Clemson University van 2022-2024. Ze is assistent-professor poëzie in de MFA for Poets and Writers aan de University of Massachusetts Amherst. Het gedicht ‘A Retrograde’ komt uit haar debuutbundel.

.

A Retrograde

.

She crept into my room, took me outside into the mosquito night thick with the gutted hums
of fishermen’s wives, piercing the flesh of a sleep walking sky.She taught me that cobwebs are hammocks for spirits, a stop along the way to rest their weary
skins, a knot on the thread of their pilgrimage to a place they had almost touched once.

In those days, a village could grow legs. Wedge itself deep into the throat of mountains
where horses couldn’t smell it, where footsteps couldn’t sear its memory onto
peeling roads.

                             The orchids have teeth
the machetes are ornaments
rusting upon the walls.
Dear mama:       I want to build you a temple
                             The orchids have teeth
the machetes are ornaments
rusting upon the walls.
I want to build you a temple
.
                              On the ocean roams a shadow of splinters
the fish are hurling themselves onto the shore
the shore will break into birds of dust
Dear mama:       the scales are mirrors
blinding the sun.
On the ocean roams a shadow of splinters
how will I swim to you
when the day is done?
.

Opluchting

Marc Tritsmans

.

Bladerend door de Poëziekalender 2025 van Plint, kom ik vele prachtige gedichten tegen, waaronder een gedicht van Marc Tritsmans. De Vlaamse dichter en milieu- en duurzaamheidsambtenaar (wat hebben dichters toch vaak boeiende ‘tweede’ beroepen) Tritsmans (1959) debuteerde in 1992 met de bundel ‘De wetten van de zwaartekracht’. Gedichten van zijn hand verschijnen in tijdschriften als Hollands Maandblad, NWT, Tirade, De Gids en De Tweede Ronde. Ook zijn maar liefst zeven gedichten van hem opgenomen in Gerrit Komrijs ‘Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’.

In 2012 stelde Vzw dederdeoever uit het Oost-Vlaamse Schellebelle hem als landschapsdichter aan. Tritsmans bekleedde het ambt voor de periode van 1 jaar. Tritsmans won een aantal poëzieprijzen waaronder in 2011 de Herman de Coninckprijs voor ‘Studie van de schaduw’ en zijn poëzie is vertaald naar het Engels en het Afrikaans. Tevens won hij daar de publieksprijs voor het beste gedicht met ‘Uitgesproken’.

Zijn laatst verschenen bundel ‘Terwijl wij nog slapen’ is uit 2023. In 1994 verscheen zijn tweede bundel ‘Onder bomen’, daaruit nam ik voor vandaag het gedicht ‘Opluchting’.

.

Opluchting

.

Zo dicht tegen de eeuwigheid aan

houd ik je stevig bij de hand.

Want elk moment wordt hier gestolen

.

van de goden. Een eenzame wolk

hapert even bij de hoogste bergtop.

Ademloos bekijken we dit schouwspel

.

wetend dat het nooit voor ons was

bedoeld. En in de stilte weerkaatst

onze lach tegen de ijzige wanden.

.

Met iets van opluchting omdat we

heel precies weten hoe het hier

voorgoed zonder ons zal zijn.

.

 

Albert Hagenaars

Snijpunt Snijvlak

.

Albert Hagenaars (1955) ken ik al lang als dichter, schrijver en recensent van NBD Biblion (werk dat, schande!, tegenwoordig door AI wordt gedaan), zo schreef hij de aanschaf informatie voor mijn bundel ‘Zoals de wind in maart graven beroert’.  Maar ik ken hem ook uit Bergen op Zoom waar hij zijn culturele activiteiten als beeldend kunstenaar en galeriehouder begon (en waar ik regelmatig een gevelgedicht van hem tegen kom).
In 1980 koos hij echter voor de literatuur. Literair werk van zijn hand verscheen in tijdschriften als De Tweede Ronde, Literair Akkoord, Maatstaf en Raster. En nu ook in MUGzine nummer 25

Enkele bundels verschenen integraal in een andere taal: het Engels, Frans, Indonesisch en Roemeens, losse gedichten ook in het Duits, Pools en Spaans.
In MUGzine #25 verschenen twee nieuwe gedichten (een dubbelgedicht) van hem getiteld ‘Snijpunt Snijvlak’ te lezen op mugzines.nl  en uiteraard in de papierenversie van MUGzine. Omdat niet iedereen dit leest hieronder deze gedichten.

.

SNIJPUNT

Dit woord of die woorden?

Deze borst en benen of dat lijf?

Taal kent geen grenzen,

zij steekt ze in gedachten over

in andermans verstijven.

Liefde zonder keuze is taal

gezwollen van tekort

in man na man na vrouw,

op het snijpunt van het lot.

Albert Hagenaars

SNIJVLAK

Deze woorden of dat woord?

Dit lijf of die borsten en billen?

Liefde kent grenzen,

hij denkt aan andervrouws taal

tussen zwellende lippen.

Niet talen naar een keurslijf

is graaien voor wie zich verliest

in vrouw na vrouw na man,

op een snijvlak van een toeval.

Albert Hagenaars

.

Vonkt

Stoel

.

Marije Langelaar (1978) is beeldend kunstenaar, dichter en schrijver en woont afwisselend in Arnhem en Russeignies in België. Op 15 november schreef ik over de Kunst- en poëzieroute in Arnhem, waar zij maar liefst vier gedichten voor aandroeg.

Ze debuteerde als dichter in 2003 met de bundel ‘De rivier als vlakte’. Hierna volgde in 2009 de bundel ‘De schuur in’. Hiervoor ontving Langelaar de tweejaarlijkse Hugues C. Pernath-prijs, terwijl deze bundel ook werd genomineerd voor de Jo Peters Poëzieprijs en de J.C. Bloemprijs.

Haar derde bundel ‘Vonkt’ verscheen in 2017, werd bekroond met de Jan Campert-prijs en de Awater Poëzieprijs en werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Haar werk is vertaald in het Engels, Turks, Litouws, Spaans, Italiaans, Frans en Russisch.

Op de website van Poetry International staat te lezen over haar poëzie: Met deze lichamelijke, ‘natuurlijke’ poëzie hoort Langelaar bij een hedendaagse Nederlandse stroming die de Vijftigerspoëzie van Lucebert nieuw leven inblaast. Een goed voorbeeld van haar ‘natuurlijke’ poëzie is het gedicht ‘Stoel’ uit haar bundel ‘Vonkt’.

.

Stoel

.

Ik stond naast een tafel en het verontrustte mij dat ik zo
alleen was en opeens hoorde ik het kloppen erg
zachtjes weliswaar maar iets maakte zich kenbaar.
Het was zo subtiel dat ik moest knielen, zo vond ik de
stoel en ik raakte het hout zoals je een tong raakt, ik
legde mijn vinger in een nerf, het begon onmiddellijk te
schemeren en dieren stonden om ons heen.
Inmiddels was ik al niet veel groter dan een speldenpunt
en innerlijk dronken de stoel zond mij zijn gedachten, vrij
technisch maar gevolgd door het ruisen van bomen
voor even, een seconde of drie werd ik stoel. Het was zalig, zalig
dat hout in mijn wervels! De klop in mijn been, een bestaan
zonder bloed of gedachten. En stil te staan eeuwig. En
opgetild. En altijd die functie en een
innerlijk waaien van de bomen afkomstig.

.

Rimbaud

Enid Starkie

.

Ik hou van oude dichtbundels en van oude boeken over poëzie. En soms kom ik in zo’n oud boek brieven of briefjes of krantenknipsels tegen. Zo ook afgelopen week. In een oud boek (ik weet niet eens meer precies wat voor boek, het had niets met poëzie van doen in ieder geval) kwam ik een krantenknipsel tegen met als titel ‘Een dichtersleven’.

Het betreft hier een recensie van ‘Arthur Rimbaud’ van schrijfster Enid Starkie uit 1961. Uit welke krant dit artikel komt is niet duidelijk maar interessant is het wel. Zo lees ik over Rimbaud (1854-1891): Het is het verhaal van een hyperintelligente en bandeloze jongeman, die zijn leven lang door een ware honger naar macht werd voortgedreven, zich een tijdlang reëel verbeeldde God te zijn en op een leeftijd, waarop de meeste toekomstige schrijvers nog een schoolblaadje redigeren, gedichten schreef, die de richting der Europese poëzie geheel zouden veranderen, om tenslotte, nog geen 20 jaar oud, de literatuur en de visoenen vaarwel te zeggen en een avonturier te worden, op zoek naar materieel fortuin.

Na een meer dan heftige relatie met de dichter Verlaine en de publicatie van ‘Une saison en enfer’ in 1876 neemt Rimbaud voorgoed afscheid van de literatuur. Hij zal geen gedicht meer schrijven. Hij begint een zwerftocht door Europa en het Midden-Oosten, leert Engels, Duits, Italiaans, Spaans, Russisch, Grieks en Arabisch, loopt in Italië een zonnesteek op, neemt in Harderwijk dienst als koloniaal (de 300 gulden die hij hiervoor ontving, verbraste hij met Rotte Pietje, een beruchte prostituee), deserteerde op Java, kwam terug naar Europa en had allerlei baantjes. De laatste jaren jaren van zijn leven zijn wazig, hij onderneemt nog trektochten door Afrika, wordt vlijtig en zuinig, accuraat en maakt zich op om te trouwen en als eerzaam burger ergens in Frankrijk te settelen.  Op een goede dag begint zijn knie te zwellen. Doodziek wordt hij naar de kust vervoerd om terug te keren bij zijn moeder. Daar belandt hij met een geamputeerd been en vol zweren in een ziekenhuis in Marseille waar hij zich bekeerdt en op 37 jarige leeftijd overlijdt.

Het hele stuk leest als een sensationeel levensverhaal waarvan ik het deel over zijn relatie met Verlaine nog heb weggelaten. Dat Rimbaud nog steeds gelezen wordt en in Frankrijk nog altijd geëerd en bewonderd, blijkt uit de vele standbeelden die er van hem zijn, een museum gewijd aan hem en  een bewegwijzerde autoroute-Rimbaud-Verlaine van zo’n 150 km door de Franse Ardennen. In 1992 vertaalde dichter Jan Kal voor De Tweede Ronde drie gedichten van Rimbaud uit diens bundel ‘Une saison en enfer’ getiteld ‘Rêvé pour l’hiver, A… Elle’ of zoals het in het Nederlands is getiteld ‘Droom voor de winter, Aan … Haar’.

.

Droom voor de winter
Aan… Haar

We rijden van de winter in een roze rijtuig
met blauwe kussentjes.
We zitten goed: de hoekjes, als ik mij opzij buig,
zijn nestjes vol gekus.
.
Je sluit je ogen voor de aanblik door de ruitjes
van ’t avondduister, het gespook
van grimmige gedrochten, van die louche luitjes:
zwarte demonen, wolven ook.
.
Dan voel je op je wang iets kriebelen als strootjes:
een kusje, net een spin met wriemelende pootjes,
die langs je halsje daalt.
.
Je zal me zeggen: ‘Zoek!’, en ’t hoofdje laten hangen.
Dan nemen we de tijd om ’t beestje te gaan vangen,
dat zeer reislustig dwaalt…
.
.

Kingsize

Laurine Verweijen

.

Zo nu en dan kom ik een gedicht tegen van een dichter die ik niet ken. Toegegeven, dat gebeurt niet heel vaak, en misschien daardoor ben ik altijd verrast als zo’n dichter al best wat op zijn/haar palmares heeft staan. Dit gebeurde me toen ik in de bundel ‘Voor alle dagen’ Honderd-nog-wat gedichten zonder gelegenheid uit 2023 het gedicht ‘Kingsize’ van Laurine Verweijen las. Want deze dichter kende ik niet.

Nu blijkt Verweijen (1981) al enige jaren mee te lopen. Ze werkt als strateeg (lees ik op meerdere websites maar wat daar nu precies mee bedoeld wordt? Waarschijnlijk is ze merkstrateeg en doet ze branding en campagnes voor bedrijven) en is daarnaast dichter. In 2016 won zij de tweede prijs bij de Turing Gedichtenwedstrijd en gedichten van haar hand werden gepubliceerd in tijdschriften en magazines als Tirade, De Gids, De Revisor en het Liegend konijn.

In 2020 debuteerde ze met de bundel ‘Gasthuis’ waarin ze ‘bedachtzaam en energiek dicht vanuit onverwachte perspectieven over het zoeken naar een plek en het vasthouden van dingen die continu in beweging zijn’. Deze bundel werd genomineerd voor de C. Buddingh’ prijs voor het beste debuut. Haar poëzie werd vertaald in het Frans en Engels en ze is betrokken bij het Tijdschrift Terras voor Internationale literatuur.

Opmerkelijk dus dat ik haar niet kende maar daar is dus nu verandering in gebracht. Het gedicht ‘Kingsize’ nam ik uit de bundel ‘Voor alle dagen’ samengesteld door Stefanie Liebreks, Joost Oomen en Yentl van Stokkum.

.

Kingsize

.

Je zou geen kind kunnen krijgen,

om het geenkind te leren dat ook die keuze

bestaat, daarvoor zou het wel

een meisje moeten zijn – om het die vrijheid

mee te geven. Als het geenkind een jongen is,

zou je het leren hoe met meisjes om te gaan.

.

Je zou geen kind kunnen krijgen en het ook aan

andere vrouwen willen laten zien, op het terras,

.

de werkvloer, wanneer je op vakantie bent.

.

Anderen zullen eerst denken dat het welkind

bij opa oma slaapt, dat je gescheiden, of nee

.

het geenkind

komt als allerlaatste.

.

Je zou keer op keer het nietkind

naar voren schuiven, als de keuze

die je hebt gemaakt en hoe je die

met lege handen draagt.

.

 

Voor het slapen gaan

Are Meijer

.

In de bundel ‘Hemel’, de festivalbundel van de Haarlemse Dichtlijn van dit jaar, staat ook een gedicht van Are Meijer (1958). Meijer schrijft proza, poëzie en liedteksten in het Westerkwartiers, Nederlands en Engels. Het Westerkwartiers is een dialect dat men spreekt in het Westerkwartier, het meest westelijke deel van de provincie Groningen.

Hij publiceerde drie dichtbundels en werk van hem is opgenomen in een aantal bloemlezingen.  Enkele van zijn liedteksten worden uitgevoerd door Geert Zijlstra en Piet Buist. Meijer kreeg in 2016 de Freudenthal-Preis voor nieuwe Nedersaksische literatuur. In 2022 ontvangt hij opnieuw de Freudenthal-Preis voor zijn Westerkwartierder gedichtencyclus ‘Onweer’.

In de festivalbundel van de Haarlemse Dichtlijn is zijn gedicht ‘Voor het slapengaan’ opgenomen.

.

Voor het slapengaan

.

De wolken op het douchegordijn

zo hagelwit, en telkens drie op rij

ze stonden stil, ze schoven niet voorbij

zo doods en saai zou dus de hemel zijn

.

Ik wist van niets, de wereld was zo groot

‘k heb nu een bad en sla de golven dood

.

V/9

Patrick Conrad

.

Patrick Conrad (1945) is een Vlaams dichter, scenarioschrijver, filmregisseur en schrijver van (misdaad)romans. Hij was met Nic van Bruggen medestichter van het Antwerpse dichtersgenootschap Pink Poets (1972-1982). Dit was een manifest tegen het realisme, dat Gentse dichters rond tijdschrift Yang voorstonden. Ook speelde het verlangen mee om de stad na de roerige jaren zestig in een tweede avant-gardegolf op te nemen. De roze kleur was geen kenmerk van homoseksuele geaardheid, maar stond voor een hip, elitair tintje, vergelijkbaar met de ‘fine-fleur‘ of ‘the very pink in the mode’.

Tot de groep traden andere dichters toe, bijvoorbeeld Paul Snoek en Hugues C. Pernath. De Pink Poets was een initiatief van de twee dichters. Toen ze er weinig meer in zagen ontbonden ze de club na tien jaar met een eenvoudige persmededeling. Conrad zag zichzelf als dandy stadsdichter, verbonden door een maniëristische, of decadentistische visie op het kunstenaarschap. De gedichten van Conrad van de jaren zestig bestaan uit fragmenten van beelden, geconcentreerd als de aanslag van pianotonen, een kort impromptu, elegische schetsen van een gestileerde erotiek, met fin de siècle bedwelming.

Zijn werk werd vertaald naar onder andere het Engels, het Frans en het Duits. Conrad debuteerde in 1963 met de bundel ‘Cezar en Jezabel’ waarna nog 20 bundels zouden volgen. In 2023 kwam zijn laatste bundel uit getiteld ‘De zwarte zangen’. In het jaar daarvoor de bundel ‘Oude, koude nachten’ memoires in 100 gedichten. Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘V/9’.

.

V/9

.

Hij was het oog dat naar de wereld keek,

als naar een landstreek die langsloopt.

Dan naar jou en dan,

als naar een parodie van zichzelf,

naar zichzelf.

.

Zijn takken raken de grond,

zijn schors scheurt en splijt

en uit de barsten in zijn huid van hout

vloeit traag als uit een jonge wonde

het hars van zijn hart.

.

Inkeer vouwt hem dicht als een oude krant

en woorden schieten tekort

om te beschrijven hoezeer hij haar mist

zodra ze beneden op straat de mist ingaat.

.

gedicht over een vrijheidsstrijder

Brendan Behan

.

In een fotoalbum op mijn telefoon kom ik een foto tegen van de Ierse dichter, schrijver van korte verhalen, romans en toneelstukken Brendan Behan (1923-1964). Ik weet niet precies waarom ik deze foto heb opgeslagen behalve dat ik wilde zien of ik al eens iets over hem geschreven had. Dat blijkt niet het geval te zijn. Behan schreef zowel in het Iers-Gaelisch als in het Engels. Hij wordt gezien als een van de succesvolste Ierse toneelschrijvers van de 20e eeuw.

Behan was al op zeer jonge leeftijd lid van Fianna Éireann, de jeugdbeweging van de IRA, en hij publiceerde zijn eerste gedichten en proza in het blad van de partij, Fianna: the voice of Young Ireland. Op dertienjarige leeftijd schreef hij al het gedicht ‘The Laughing boy’, over de dood van onafhankelijkheidsstrijder politicus en revolutionair Michael Collins.

Voor iemand van 13 is dit niet alleen een zeer volwassen gedicht maar het geeft ook weer op welk een jonge leeftijd Behan al was begaan met de ‘Ierse zaak’. Nadat hij was gearresteerd voor het in bezit hebben van explosieven voor de IRA, waarvoor hij drie jaar gevangenisstraf kreeg, werd hij een aantal jaar later opnieuw gearresteerd voor een aanslag op twee politiemensen. Na vrij gekomen te zijn door algemene amnestie werd hij opnieuw gevangen gezet omdat hij een medegevangene had geholpen bij diens ontsnapping.

Zijn grote doorbraak kwam in 1954 toen zijn toneelstuk ‘The Quare Fellow’, dat gebaseerd was op zijn ervaringen in de gevangenis, werd opgevoerd in het Pike theater in Dublin. Het toneelstuk stond 6 maanden op de planken. Behan vond het moeilijk met de faam om te gaan. Hij was al langer een zware drinker, hij had zichzelf eens omschreven als een drinker met een schrijfprobleem. De combinatie van alcoholisme en diabetes resulteerde in een serie roemruchte dronken publieke optredens, zowel op het podium als op televisie. Hij verbleef regelmatig in het Chelsea Hotel in New York. Hij belandde een aantal keer in een coma. Hij overleed inDublin in 1964 nadat hij onwel was geworden.

Uit 1936 komt zijn bekendste gedicht ‘The Laughing boy’ maar dit gedicht kent ook een buitengewoon en dramatisch vervolg als ‘To Yelasto Paidi’, het krachtige linkse volkslied van het verzet tegen de dictatuur die eind jaren zestig en begin jaren zeventig over Griekenland regeerde. Vertaald door de dichter Vassilis Rotas, werden Behans woorden in het Grieks op muziek gezet door de legendarische Mikis Theodorakis.

.

The Laughing Boy

.

T’was on an August morning, all in the dawning hours,
I went to take the warming air, all in the Mouth of Flowers,
And there I saw a maiden, and mournful was her cry,
‘Ah what will mend my broken heart, I’ve lost my Laughing Boy.
So strong, so wild, and brave he was, I’ll mourn his loss too sore,
When thinking that I’ll hear the laugh or springing step no more.
Ah, curse the times and sad the loss my heart to crucify,
That an Irish son with a rebel gun shot down my Laughing Boy.
Oh had he died by Pearse’s side or in the GPO,
Killed by an English bullet from the rifle of the foe,
Or forcibly fed with Ashe lay dead in the dungeons of Mountjoy,
I’d have cried with pride for the way he died, my own dear Laughing Boy.
My princely love, can ageless love do more than tell to you,
Go raibh mile maith agat for all you tried to do,
For all you did, and would have done, my enemies to destroy,
I’ll mourn your name and praise your fame, forever, my Laughing Boy.

.