Site-archief

4 mei

Jaap Zijlstra

.

Vandaag is het 4 mei, de dag dat we in Nederland de doden herdenken. De doden uit de tweede wereldoorlog en de doden die na de oorlog in conflictgebieden vielen. Er is zelfs een initiatief om ook alle doden te herdenken die nu nog in conflictgebieden vallen te herdenken overal ter wereld. Ik vind dat een mooi initiatief omdat het een accent toevoegt aan de dodenherdenking. Het doet niets af aan de twee minuten stilte om 20.00 uur op 4 mei ter herdenking aan hen die vielen, het verrijkt deze herdenking én ik denk dat door dit soort initiatieven (waar je ook het herdenken van Nederlanders in conflicten na de tweede wereldoorlog onder mag scharen) juist bijdraagt aan het in leven houden van deze mooie traditie.

Toch wil ik vandaag een gedicht plaatsen dat juist een directe relatie heeft met 4 mei 1945. Het is het gedicht ‘4 mei’ van Jaap Zijlstra (1934) en ik nam het uit de bundel ‘De mooiste gedichten over verzet en bevrijding’, verzameld door Sipke van der Land uit 1994.

.

4 mei

.

De oorlog is al jarenlang voorbij.

Men zegt het, maar het is niet waar.

Ik zie ze nog, gebonden aan elkaar

gaan naar hun graf. De duinenrij

ligt in de zon, de wind streelt door hun haar.

.

Voorover liggen. het is niet voorbij.

Wachten met het gezicht op de grond.

Roepen tot God met een gesloten mond.

Mijn God, mijn God, ontferm U over mij.

.

Nog klopt hun bloed tegen het witte zand.

Nog zoekt hun hart de verre overkant.

Ik hoor de schoten. het is niet voorbij.

.

 

Positivo

Leonard Cohen

.

Waar Leonard Cohen (1934-2016) vooral bekend is van liedjes als ‘Suzanne‘ en ‘So long, Marianne‘ was het nummer ‘Anthem’ uit 1992 voor mij onbekend. Totdat ik in een artikel in de krant van zaterdag een zin uit een lied van hem las. ‘There is a crack, a crack in everything, That’s how the light gets in’. In de tekst stond niet uit welk lied maar ik vind deze zin zo mooi positief en waar dat ik op zoek ging. Het blijken twee zinnen uit de liedtekst van ‘Anthem’ te zijn.

Nu hou ik van mooie zinnen, van poëtische zinnen, ook als die in liedjes voorkomen. Ik heb er niet voor niets een categorie van gemaakt op dit blog. In het geval van ‘Anthem’ zijn er nog veel meer fraaie zinnen op te tekenen. Alle reden om de lyrics van dit lied hier te delen. Een andere reden is dat ik dit een heel positieve tekst vind. Ondanks alle ellende die de wereld overspoelt momenteel zit er altijd overal een barst in alles waar het licht doorheen schijnt. Veel positiever krijg je het niet.

En omdat de wereld en wij mensen wel wat positieve energie en richting kunnen gebruiken hier de tekst.

.

Anthem

.

The birds they sangAt the break of dayStart againI heard them sayDon’t dwell on what has passed awayOr what is yet to be
.
Ah, the wars they will be fought againThe holy dove, she will be caught againBought and sold, and bought againThe dove is never free
.
Ring the bells that still can ringForget your perfect offeringThere is a crack, a crack in everythingThat’s how the light gets in
,
We asked for signsThe signs were sentThe birth betrayedThe marriage spentYeah, and the widowhoodOf every governmentSigns for all to see
.
I can’t run no moreWith that lawless crowdWhile the killers in high placesSay their prayers out loudBut they’ve summoned, they’ve summoned upA thundercloudThey’re going to hear from me
.
Ring the bells that still can ringForget your perfect offeringThere is a crack, a crack in everythingThat’s how the light gets in
.
You can add up the partsBut you won’t have the sumYou can strike up the marchThere is no drumEvery heart, every heartTo love will comeBut like a refugee
.
Ring the bells that still can ringForget your perfect offeringThere is a crack, a crack in everythingThat’s how the light gets in
.
Ring the bells that still can ringForget your perfect offeringThere is a crack, a crack in everythingThat’s how the light gets in
.
That’s how the light gets inThat’s how the light gets in
.

Poëzie en rouw

Dromen dromen

.

In de Volkskrant van zaterdag viel me weer eens op hoe vaak poëzie wordt gebruikt in rouwadvertenties. Dat zal bij andere kranten overigens niet anders zijn. Ik las strofen uit gedichten van Hans Faverey (1933-1990) : ‘Zo begint het, en moet zo lang. / Te lang begonnen blijven’, van Lieke Marsman (1990) ‘Als je eigen dood aan je deur staat en ongeduldig je naam door de brievenbus roept, zie dan maar eens open te doen met een onbewogen, “ach ja, jij hoort er nu eenmaal bij”.’ en van George Harrison (1943-2001) ‘Here comes the sun, and I say, it’s all right’.  En er was een uitspraak van de Duitse kerkleider, schrijver en verzetsstrijder Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) met een grote poëtische zeggingskracht ‘Afscheid nemen / is met zachte vingers / wat voorbij is dichtdoen / en verpakken / in goede gedachten / der herinnering…’.

Ik moest na het lezen van deze stukken meteen denken aan poëziedoctor Kila van der Starre (1988). In haar onvolprezen proefschrift uit 2017 ‘Poëzie buiten het boek‘ de circulatie en het gebruik van poëzie, heeft ze een hoofdstuk gewijd aan Rouwpoëzie, poëzie in rouwadvertenties. Daarnaast was ik nieuwsgierig naar het meest gebruikte gedicht in Nederlandse rouwadvertenties. Daar heb je tegenwoordig een prima AI app voor Perplexity en die geeft als antwoord dat ‘Sub Finem‘ van Vasalis (1909-1998) een van de meest populaire rouwgedichten is, naast ‘De Steen‘ van Bram Vermeulen (1946-2004) en de tekst van Psalm 39 (in meer Christelijke kringen) volgens een onderzoek van het Reformatorisch Dagblad.

Na lezing van deze gedichten voerden mijn gedachten mij vervolgens naar een bundel die ik sinds kort in mijn bezit heb ‘De gedichtenapotheek‘ samengesteld door Philip Huff (1984). In het hoofdstuk ‘Leven met verlies’ is bij ‘de dood van een geliefde’ het gedicht ‘Dromen dromen’ opgenomen van Judith Herzberg (1934).

.

Dromen dromen

.

Ik droomde dat je thuis was lief
je kwam licht uit de auto, ik sliep,
ik hoorde vogels, rook seringen,
jij draaide aan de knop van de radio
die aan mijn hoofdeind stond.
Uit elk station kwamen verwonderlijk
belangwekkende fragmenten.
Ik droomde ook dat ik gedroomd had
dat ik in de keuken stond
en dat het aanrecht in stukken brak –
marmeren brokken. Ik nam in elke hand
een scherf want dacht ik, misschien
is dit een droom, en bracht mijn handen
langzaam bij elkaar, om het marmer
te horen ketsen, maar het ketste niet.
Ik vond het prettig datje thuis was
kon je de droom vertellen. Ja zei jij,
ja dat doet een droom, je voelt iets in je hand
dat er niet is, dat is bekend.
Toen ging de telefoon. Zo heerlijk, dacht ik
dat jij thuis bent, ik slaap nog even door.
.Jij neemt wel op. Ik hoorde je spreken.
Hij rinkelde en rinkelde totdat ik wakker werd
en rende. Verdriet om sterven is bekend
verdriet van scheiden niet geacht. En
doden weten niet hoe ze ontbreken.

.

De stilte

Jan van Nijlen

.

Dat er heel veel themapoëziebundels zijn uitgegeven in de loop der jaren zal voor de vaste lezer van dit blog geen nieuws zijn. Over de meest uiteenlopende onderwerpen zijn bloemlezingen verschenen. Of het nu gaat over verzet, roken, fietsen, troost, de tweede wereldoorlog of beta’s, je kunt het zo gek niet bedenken of er is een verzameling gedichten van gemaakt.

Blijkbaar voorziet de bundeling van gedichten per onderwerp of thema in een vraag van poëzieliefhebbers. In de jaren 1979, 1980 en 1981 verscheen bij Erven Thomas Rap een serie Thema-poëzie. Onderwerpen waren de fiets, de moeder, Het werk, de vogel, de stad, het kind, de tuin en de dood. Maar ook de stilte. In 1980 stelde Kees Fens de bloemlezing ‘De stilte’ samen en in die bloemlezing staat het gedicht ‘De laatste dagen’ van Jan van Nijlen. Deze Vlaamse dichter (1884-1965) was ambtenaar, dichter en essayist.

In 1906 debuteerde van Nijlen met de bundel ‘Verzen’ en voor zijn werk (proza en poëzie) ontving hij onder andere de Constantijn Huygensprijs (1963) en de Staatsprijs Vlaamse Poëzie (1934). Van Nijlen is bij de meeste mensen (zeker in Antwerpen) bekend door zijn gedicht ‘Bericht aan de reizigers’ dat uit zijn bundel ‘Geheimschrift’ uit 1934 komt en dat in 2011 in het centraal station van Antwerpen onthuld werd.

Van Jan van Nijlen is in de bloemlezing ‘De stilte’ het gedicht ‘De laatste dagen’ opgenomen uit ‘De dauwtrapper’ uit 1947.

.

De laatste dagen
.
Een blauwe schotel bleef, met enkle vruchten,
vannacht in het prieel op tafel staan,
en daarop schijnt, door winde en wilde wingerd,
een laatste straal van de verdoofde maan.
.
Geen wind beweegt de donkre notelaren,
rond zonnebloem en volle dahlia
gonst geen insekt: ’t is de volmaakte vrede
die eeuwig lijkt, als kwam niets daarna.
.
O laatste, warme dagen van september,
de weemoed van uw licht gloeit ook in mij,
ik laat, als gij, mij met een glimlach glijden
naar dood en vrede, beiden zo nabij.

.

Klein grafmonument

Ida Gerhardt

.

Enige tijd geleden was ik met vrienden in Nürnberg in Duitsland. Behalve dat we daar in Luitpoldhain de Steintribune en de Dutzendteich in het gelijknamige Volkspark bezochten, waar tijdens de partijdagen van de NSDAP in 1934 ‘Triumph des Willens’ de ‘allereerste’ propagandafilm ooit werd geschoten door Leni Riefenstahl van Hitler en consorten, bezochten we uiteraard ook de ‘oude’ binnenstad en wat buitenwijken van deze Duitse stad. Dat oude staat tussen haakjes want vrijwel het volledige stadje werd platgebombardeerd door de Amerikanen aan het einde van de tweede wereld oorlog. Een van de weinige huizen die nog rechtop stonden was het geboortehuis van de een van de beroemdste en bekendste Duitse schilders Albrecht Dürer (1471-1528).

Maar er was meer fraais te bekijken. In de wijk waar wij verbleven Gostenhof, was een klein maar bijzonder begraafplaatsje. De graven op deze begraafplaats waren hoog liggende tombes. Vaak niet veel groter dan een lijkkist maar van steen en allemaal boven de grond. Ik nam er wat foto’s en twee ervan kun je hieronder zien. Ik moest daaraan denken toen ik in de bundel ‘Zeven maal om de aarde te gaan’ van Ida Gerhardt (1905-1997) uit 1999 aan het lezen was. In deze bundel staat het gedicht ‘Klein grafmonument’. Het gedicht gaat weliswaar over een grafmonumentje en niet over een graf maar het is de moeite waard van het delen.

.

Klein grafmonument

.

Dolle kervel, bitterzoet,

oevergroei van Hollands Lethe –

hier heeft eens een kind gezeten,

vechtend om de laatste moed.

.

Dolle kervel, bitterzoet,

– vijftig jaren bloeien uw planten –

’t waarde radeloos langs de kanten,

kervel om de klompenvoet.

.

Dolle kervel, bitterzoet:

tien geslachten zullen weten

hoe een kind, klein maar verbeten,

zich de dood at in het bloed.

.

 

The Prince

Fernando Pessoa

.

Van mijn partner in MUGzine Marianne kreeg ik de bundel ‘Lisbon Poets’ uit 2015, een tweetalige en geïllustreerde editie voor eenieder die de Engelse taal machtig is en in (de Portugese) poëzie geïnteresseerd is. De dichters in deze bundel werden geboren of woonden in Lissabon. Internationaal de bekendste dichters Fernando Pessoa (1888-1935)  en Luís de Camões (1524/1525-1580) worden in deze bundel aangevuld met drie, in het Portugese taalgebied beroemde dichters Cesário Verde (1855-1886), Florbela Espanca (1894-1930) en Mário de Sá-Carneiro (1890-1916). Opvallend vind ik dat alle drie de dichters leefden aan het einde van de 19e en het begin van de 20ste eeuw. Alsof er na deze dichters geen dichters meer van enige betekenis meer zijn opgestaan.

In de bundel dus drie dichters die jong stierven en daardoor een zekere cultstatus hebben bereikt in Portugal. Cesario stierf aan tuberculose, Espanca en de Sá-Carneiro pleegden zelfmoord. Wat veel lezers waarschijnlijk niet weten (ik ook niet) was dat Pessoa 10 jaar van zijn vormende jaren in Zuid-Afrika woonde. De titel van een gedicht uit 1926 dat is opgenomen in de bundel hoefde dan ook niet vertaald te worden want die luidt ‘Lisbon Revisited’.

Uit de bundel koos ik (toch weer) voor een gedicht van Pessoa. Ik hou gewoon van zijn poëzie. Het gedicht dat ik koos is getiteld ‘O Infante’ of zoals de Engelse titel is ‘The Prince’. Het komt uit zijn bundel ‘Mensagem’ (Message), de enige bundel die onder zijn eigen naam werd gepubliceerd. Pessoa maakte veelvuldig gebruik van heteroniemen, fictieve schrijverspersoonlijkheden met elk een eigen ‘ik’, in totaal meer dan 20. ‘Mensagem’ werd in 1934 voor het eerst gepubliceerd, dus een jaar voor zijn overlijden. Voor de volledigheid en voor de liefhebber heb ik het gedicht ‘O Infante’ zowel in de Engelse vertaling als in het Portugees overgenomen.

.

The Prince

.

God desires it, mankind dreams it, a work is born.

God desires the earth to be as one,

that the sea should unite, no longer separate,

and you he favoured to unveil the foam.

.

The whiteness edged all, from isle to continent,

flowing swiftly from pole to pole.

All of a sudden, the whole earth, uncovered,

emerged, round, from depths of blue.

.

He who blessed you made Portuguese.

Of the sea and us through you He gave us a sign.

The Sea accomplished, The Empire dissolved.

Oh lord, Portugal awaits, still to be furfilled!

.

O Infante

.

Deus quer, o homem sonha, a obra nasce.

Deus quis que a terra fosse toda uma,

Que o mar unisse, já não separasse.

Sagrou-te, e foste desvendando a espuma.

 

E a orla branca foi de ilha em continente,

Clareou, correndo, até ao fim do mundo,

E viu-se a terra inteira, de repente,

Surgir, redonda, do azul profundo.

 

Quem te sagrou criou-te português.

Do mar e nós em ti nos deu sinal.

Cumpriu-se o Mar, e o Império se desfez.

Senhor, falta cumprir-se Portugal!

.

Version 1.0.0

 

Voor een vijfjarige

Fleur Adcock

.

Ik ben aan het lezen in de bundel ‘Honderd dichters uit vijftien jaar Poetry International 1970-1984’ samengesteld Remco Campert, Jan Eijkelboom, Joke Gerritsen en Martin Mooij en gepubliceerd in 1984. Ik verbaas me over de beroemde namen van dichters die in de loop der jaren Poetry International hebben aangedaan. Ik weet natuurlijk wel dat dit het geval is maar als je dan door de bio- en bibliografieën van al die dichters bladert is het toch wel heel bijzonder.

Uiteraard staan er tussen die vele dichters ook namen van dichters die ik niet ken, en juist die zijn vaak heel interessant. Zo bleef ik hangen bij een gedicht van Fleur Adcock (1934). Geboren in Nieuw-Zeeland maar al jaren verblijvend in Engeland. Wat ik heel leuk vind is dat ik op haar Wikipediapagina lees dat ze, naast het docentschap en haar carrière als dichter, ook bij verschillende bibliotheken heeft gewerkt als bibliothecaris. In 2006 won Adcock een van de belangrijkste poëzieprijzen van Groot-Brittannië, de Queen’s Gold Medal for Poetry , voor haar verzamelde werken, ‘Poems 1960–2000’. Ze was pas de zevende vrouwelijke dichter die de onderscheiding in 73 jaar ontving.

Adcocks poëzie houdt zich doorgaans bezig met thema’s als plaats, menselijke relaties en alledaagse activiteiten, maar vaak met een duistere wending aan de alledaagse gebeurtenissen waarover ze schrijft. En juist dat specifieke element, die duistere wending lees ik terug in het gedicht ‘Voor een vijfjarige’ of ‘For a five-year-old’ zoals het gedicht in het Engels is getiteld. Ik bleef bij dit gedicht hangen omdat het me deed denken aan een moeder, die zoiets ook zou kunnen denken of zeggen. Het gedicht is vertaald door Bob den Uyl.

.

Voor een vijfjarige

.

Een slak kruipt tegen het kozijn op

je kamer binnen, na een regennacht.

Je roept me binnen om te kijken, en ik leg uit

dat het onaardig zou zijn hem daar te laten:

hij zou op de vloer kunnen kruipen, we moeten voorkomen

dat iemand hem vertrapt. Je begrijpt het,

en draagt hem naar buiten, in koesterende hand,

om hem een narcis te laten eten.

.

Ik zie dan dat een soort vertrouwen je beweegt:

je tederheid wordt nog gevormd door woorden

van mij, die muizen heeft gevangen en vogels heeft geschoten,

van mij, die je poesjes heeft verdronken, die je

naaste verwanten heeft verraden, en die menig ander

de hardste waarheden heeft verteld.

Maar zo is het nu eenmaal: ik ben je moeder,

en we zijn aardig tegen slakken.

.

For a Five-Year-Old

.

A snail is climbing up the window-sill
into your room, after a night of rain.
You call me in to see, and I explain
that it would be unkind to leave it there:
it might crawl to the floor; we must take care
that no one squashes it. You understand,
and carry it outside, with careful hand,
to eat a daffodil.
.
I see, then, that a kind of faith prevails:
your gentleness is moulded still by words
from me, who have trapped mice and shot wild birds,
from me, who drowned your kittens, who betrayed
your closest relatives, and who purveyed
the harshest kind of truth to many another.
But that is how things are: I am your mother,
and we are kind to snails.

.

Vandaag begint het!

Poëzieweek 2024

.

Vandaag is de Poëzieweek 2024 begonnen. Wat ooit in 2000 begon met de Landelijke of Nationale Gedichtendag en in 2013 werd uitgebreid naar de Poëzieweek (en nu op naar de maand van de poëzie wat mij betreft) heeft als doel iedereen in Nederland en Vlaanderen de kans te geven in die week in aanraking te komen met poëzie. Dat kan op heel veel manieren, ik schreef er de afgelopen maanden al een paar keer over.

Ook schreef ik over de twee grote activiteiten waar ik persoonlijk direct bij betrokken ben: Weesgedichten en de MUGzine special. Afgelopen week vrijdag heb ik namens mijn bibliotheek samen met een paar collega’s en vrijwilligers bij verschillende mensen in het werkgebied van mijn bibliotheek weesgedichten op ramen van adoptieouders aangebracht. Ontzettend leuk om te doen en wat me opviel was de variëteit aan gedichten en dichters die men had geadopteerd. Ja de plaatselijke dichters die konden worden toegevoegd aan de lijst van gedichten waren allemaal geadopteerd maar opvallend genoeg ook meerdere Vlaamse dichters.

Zelf heb ik voor het raam van mijn woonkamer, bij de bibliotheek Den Haag, een gedicht van de Vlaamse dichter Shari Van Goethem (1988) geadopteerd.

Naast dit bijzondere initiatief dat werd overgenomen in samenwerking met de bedenkers van Weesgedichten, de Bibliotheek Aalst in België, komt vandaag ook de special van MUGzine uit. In de bibliotheken in Zuid- en Noord-Holland kun je gratis deze special ophalen. In deze special gedichten van de Vlaamse Lut de Block (1952), Meliza de Vries (1982), Anne van de Dool (1993), Lemuel de Graav (1998), Marianne Hermans (1973) en van mijzelf het gedicht ‘Wolk’. Deze editie werd mogelijk gemaakt door Probiblio, de ondersteuningsinstelling voor openbare bibliotheken in Noord- en Zuid-Holland. In deze special staat ook een bericht over de Wolk app voor poëzie.

Ik wens iedereen een geweldig mooie Poëzieweek toe. Heb je geen idee waar je naartoe wil of kan kijk dan op de website van de Poëzieweek 2024 bij activiteiten. Om dit bericht niet zonder gedicht af te sluiten, een gedicht dat ook als ansichtkaart te krijgen is deze Poëzieweek van Judith Herzberg (1934), getiteld ‘Daglicht’ uit haar bundel ‘Zeepost’ uit 1963.

.

Daglicht

.

Uit chaos van lakens en
voorgevoel opgestaan, gordijnen
open, de radio aan, was
plotseling Scarlatti
heel helder te verstaan:
Nu alles is zoals het is geworden,
nu alles is zoals het is
komt het, hoewel, misschien
hoewel, tenslotte nog in orde.

.

Rep en roer

Judith Herzberg

.

Zoals elk jaar komt de CPNB (Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek) ook dit jaar weer in december met een gedicht om het jaar af te sluiten en het nieuwe jaar in te luiden. Dit jaar is Judith Herzberg (1934) gevraagd een reflectie te schrijven op de tijd waarin we leven. Omdat het gedicht wordt toegestuurd aan relaties van de CPNB (en dus niet voor iedereen toegankelijk) deel ik graag, net als vorig jaar en het jaar daarvoor, dit gedicht.

.

Rep en roer                                              Oktober 2023

.

Juist als je denkt er eindelijk

aan toe te zijn zet hij het weer

in rep en roer, je wereldje,

bijna fataal, je kleintje.

.

Om van de echte, grote

het schandaal waar je van

opstak dat je je beter

af kon wenden. Je wilde

nu en dan iets aardigs

liefs beleven, daar dan

in opgaan, geloven.

.

Maar dan je hart. je darmen

slaan alarm. Herken je dat

je zorgen breng je onder

in grasspriet-kunde

en wormenzorg

dat ondergrondse.

.

Klein en groot zijn

in je hoofd

niet langer van elkaar

te scheiden. En dan

die wirwar en die

rep en roer nog

waar we in rouw

verbouwereerd

aan lijden.

.

 

Een kinderspiegel

Poëzie voor jongeren

.

Op de geweldige informatieve website DBNL.org lees ik een artikel uit het tijdschrift Tsjip/Letteren (tijdschrift voor literaire vorming van de stichting Promotie Literatuuronderwijs) uit jaargang 7 (1997). In totaal heeft dit tijdschrift 15 jaargangen bestaan tot en met 2005. In dit artikel van Kees Combat beschrijft de auteur ‘De 30 mooiste gedichten uit de Nederlandse literatuur’ van dichter en poëziekenner Remko Ekkers dat verscheen in 1992.

Deze bundel werd door Ekkers ‘onmiskenbaar een kleine canon van de Nederlandse poëzie, een gestaald kader van veel geciteerde en vaak gebloemleesde gedichten’ genoemd. De gedichten werden gekozen op basis van een enquête onder leraren met als enige vraag: ‘Als u het voor het zeggen had, welke gedichten zouden uw leerlingen dan eigenlijk uit het hoofd moeten kunnen opzeggen?’

De lijst bestaat uit 30 gedichten waarvan de meest recente uit eind jaren ’60 begin jaren ’70 zijn. Je zou zeggen dat de voorkeur van de docenten (uit hun jeugd) duidelijk naar voren komt en waarschijnlijk ook toen al (jaren ’90) niet echt meer aansloot bij de belevingswereld van jongeren die toen literatuuronderwijs genoten. Wat dat betreft sluiten de boeken van ‘Woorden temmen’ deel 1 en deel 2 vele malen beter aan bij waar jongeren mee bezig zijn en in geïnteresseerd zijn.

Desalniettemin levert het overzicht van Ekkers wel een mooie doorsnee op van bijzondere gedichten door de eeuwen heen. Opmerkelijk voor mij was het gedicht ‘Een kinderspiegel’ van Judith Herzberg (1934). Ik had het gedicht ooit wel gelezen in haar bundel ‘Beemdgras’ uit 1968 maar dat het op dit lijstje zou belanden had ik niet kunnen bevroeden. In de serie Meander Klassiekers beschrijft Inge Boulonois hoe dit gedicht nog altijd actueel is.

.

Een kinderspiegel

.

Als ik oud word neem ik blonde krullen
ik neem geen spataders, geen onderkin,
en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben
dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond
alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.

.
Ik ga nooit liegen of bedriegen, waarom zou ik
en niemand gaat ooit liegen tegen mij.
Ik neem niet van die vieze vette
grijze pieken en ik ga zeker ook niet
stinken uit mijn mond.

.
Ik neem een hond, drie poezen en een geit
die binnen mag, dat is gezellig,
de keutels kunnen mij niet schelen.
De poezen mogen in mijn bed
de hond gaat op het kleedje.

.
Ik neem ook hele leuke planten met veel bloemen
niet van die saaie sprieten en geen luis, of zoiets raars.
Ik neem een hele lieve man die tamelijk beroemd is
de hele dag en ook de hele nacht
blijven wij als maar bij elkaar.
.