Site-archief

Novem

Anne Provoost

.

De poëzieclubkeuze van poëzietijdschrift Awater is deze winter de bundel ‘Decem’ van de Vlaamse dichter, romancier, essayist en korte verhalen schrijver Anne Provoost (1964).  Provoost is lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en van PEN International. Zij won met haar werk de Gouden Uil, de LIBRIS Woutertje Pieterseprijs, twee keer een Zilveren Griffel en twee keer de Gouden Zoen. Haar roman ‘Vallen’ werd verfilmd. Voor ‘In de zon kijken’ kreeg ze driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap, dat is de voormalige Staatsprijs voor Literatuur.

In tegenstelling tot veel romanciers die beginnen als dichter debuteerde Provoost als schrijver van een jeugdboek met de titel ‘Mijn tante is een grindewal’ (1990), In 2022 debuteerde ze als dichter met de bundel ‘Krop’. In oktober 2024 verscheen haar dichtbundel ‘Decem’, ongelegenheidsgedichten voor asielverstrekkers, die dus als poëzieclubkeuze verstuurd is aan alle abonnees van Awater die een abonnement hebben inclusief de keuzebundel.. Haar werk is in twintig talen vertaald.

In ‘Decem’ krijgt de lezer het verhaal van een fictieve jongeman die per boot zijn thuisland ontvlucht, op de Middellandse Zee zijn vrouw en ongeboren kind verliest en zich daarna moet verdedigen tegenover een asielverstrekker. Anne Provoost begon aan de bundel na de verkiezingen in Nederland, waar de verruwing van de taal in het asieldebat haar raakte. “Als ik luisterde naar wat er gezegd werd, dan borrelden die gedichten op. Taal heeft belang. Men had het over een ‘tsunami, een toestroom, een overrompeling’ en ik dacht: het gaat hier wel nog altijd over mensen.” Uit de bundel koos ik het gedicht ‘novem’.

.

novem

de aanvaarding

De getroffene probeert aan de pijn te
ontsnappen door erin mee te gaan

*

ik hoorde god grommen
ik hield me muisstil
mijn zenuwen ratelden seismisch
maar dat nieuws zal vandaag niet ver reizen

praten was voor het uiterste geval
op een andere datum op een andere plaats
want ik had een accent als een stotter
dus ik wachtte tot het woei

en het woei uit de tijd inderdaad
en er klonk hoog gekraai
in het klokkengeluid van alle godsdiensten samen
en ze raakte me aan
zoals de kapper je nek scheert

ze was niet veranderd
ze was zoals toen luisterklaar
ze vroeg naar ons thuisland van vrienden die langskomen
ze had blauwwitte tanden
ze leerde me mijn eeuwige geheugenkind kennen
eerst droeg ze het op haar arm
daarna moest het lopen

ik dacht aan haar dus dacht ik ook aan hem
Koo was zijn naam
de humeurige aap
geen man maar een trein
die hoopte medailles en lof te krijgen voor zijn begerige belangstelling
voor meteorologische voorspellingen
hij bad volgens het boek
hij brandde een lamp op het water
en hield de tocht uit zijn mond als hij praatte

het is de woorden niet waard
mijn vingers gingen over de aren
waarom deed ik zoiets reddeloos als bidden voor een vrouw die me
laadde en stilstaan in waanzin
in tijden met niemand nog thuis zoals het miljoen reizigers met slechts één koffer
geen kat met een rat in de maag als verloning

voor alles waren we gewaarschuwd
voor de druk op de heup, voor de gal in de strijd
want wie wil er nog kijken naar aandacht die pijn doet als hij de
aandacht kan eisen met fluiten en krijsen
dus ik vatte het plan op om nooit meer de wateren waarin ik wilde
vissen te storen

maar ik voelde dus dat iemand me net niet had geraakt
tenzij met haar haren
totaal onverhoeds
het kon ook een man zijn
bijvoorbeeld mijn vader

.

Douane (daarboven)

Sanne ten Wolde

.

Op de social media volg ik, behalve veel dichters en bekenden, ook een aantal mensen die ik boeiend vind vanuit een ander perspectief. Een van die mensen is Sanne ten Wolde (1990).  Sanne ten Wolde is filosoof en eigenaar van Filosofische Huiskamercafés in Voortgezet Onderwijs en Hogescholen. Een bedrijf in het aanbieden van filosofische huiskamercafés in de school, waar een vaste filosofische barista (zij zelf) een veilige denkplek in de school biedt.

In een artikel in Filosofie Magazine wordt dit als volgt omschreven: Door middel van het gebruik van gelukskoekjes (koekjes met een filosofische vraag erin) wordt een gesprek geopend. In 2024 werd door ten Wolde op de NHL Stenden Hogeschool en het MBO Drenthe College (die samen een campus delen) het eerste filosofische huiskamercafé geopend. Daar kunnen studenten, roostermakers, docenten en conciërges een filosofisch gesprek met elkaar aangaan. Een mooi en waardevol initiatief.

Maar dat ik hier over Sanne een stuk schrijf heeft te maken met het feit dat zij op 1 februari de vierde Remco Ekkers Poëzieprijs won met het gedicht ‘Douane (daarboven)’. De vakjury, bestond dit jaar uit Pauline Durlacher, Jane Leusink en Ronald Ohlsen. De jaarlijkse poëziewedstrijd is een initiatief van de Groningse Schrijversvakschool in samenwerking met Boekhandel Godert Walter. De wedstrijd is opgedragen aan Remco Ekkers (1941-2021), de in 2021 overleden schrijver, dichter, criticus en docent aan de school. Sanne ten Wolde kreeg een oorkonde en een lesblok van de Schrijversvakschool. Het gedicht gaat over haar broer Ruud, die op jonge leeftijd aan kanker overleed.

.

Douane (daarboven)

.

Ik wil waterfietsen met mijn broertje, drie keer met de voetenrond, genoeg.

Koppen bij elkaar als vroeger: “Nee, onmogelijk, niks voor ons

.

Waar ze mens en engelen mengen vinden ze ons slimme jongens.

Applaus. gekraakt, neem de rest van de droom maar vrij.

.

Wij klieren ons een weg door de douane. Kan het land niet zien waar hij vandaan komt

maar hij is er, hij is er, leunend op mijn schouder, grijnzend om mijn Assepoesterige

toverhaast, ha-ha-ha, tijd, lekker mensje aan het spelen meid?

.

Ik zeg: lekker makkelijk praten, jij moest mij maar eens begraven. Hou op te dansen, ter

zake, voordat je straks weer gaat: hoe lacht men een droom zo vol dat hij doorlekt in de

ochtend want ik mis je, stomme levensmaat.

.

Zing als je zo weer weg lijkt onze liedjes uit mijn mond, er is een nummer dat je koffie wil

maar niet van je stoel, ik bedoel ik vergeet ze in mijn eentje. Dus knijp me terug naar hier

en zet je live locatie aan zodat ik me herinner bij het opstaan dat je nooit vertrokken bent.

.

Lieke Marsman

Natalya Gorbanevskaya

.

Afgelopen vrijdag liep ik in de boekenwinkel op zoek naar een cadeautje voor mezelf (van mijn moeder) en daar zag ik ‘Op een andere planeet kunnen ze me redden’ van Lieke Marsman liggen. Ik kocht het en thuis gekomen las ik dat dit boek op die dag pas was uitgekomen. Spiksplinternieuw dus. En hoewel het geen dichtbundel is, werd ik toch aangetrokken door de inhoud. “dit boek is een filosofische trip tot in de diepten van de menselijke geest, afgewisseld met dagboekfragmenten die beschrijven hoe de dood haar op de hielen zit.”

Waarschijnlijk niet helemaal toevallig stond er gisteren in het Volkskrant Magazine een interview met Lieke Marsman (1990) over dit boek en haar situatie. In dit interview wordt geschreven over hoe Marsman op haar 17e een gedicht van Natalya Gorbanevskaya vertaalde (Het gedicht was vanuit het Russisch naar het Engels vertaald en zij vertaalde het naar het Nederlands). Een prima manier, zo vertaalde ik ooit begin deze eeuw het gedicht van Juhasz Gyula naar het Nederlands nadat het door een Hongaarse voor mij naar het Engels was vertaald. Mijn derde bundel kreeg zelfs als titel een zin uit dat gedicht.

Nieuwsgierig als ik ben wanneer ik dit sort verwijzingen lees ging ik op zoek. Natalya Yevgenyevna Gorbanevskaya  (1936 – 2013) was een Russische dichter, vertaler van Poolse literatuur en burgerrechtenactiviste. Ze was een van de oprichters en de eerste redacteur van A Chronicle of Current Events (1968–1982) een van de langstlopende samizdat– periodieken van de post-stalinistische Sovjet-Unie. In 1968 nam ze samen met zeven anderen deel aan de demonstratie op het Rode Plein in 1968 tegen de Sovjetinvasie van Tsjecho-Slowakije. In 1970 veroordeelde een Sovjetrechtbank Gorbanevskaja tot opsluiting in een psychiatrisch ziekenhuis. Ze werd in 1972 vrijgelaten en emigreerde in 1975 uit de USSR en vestigde zich in Frankrijk. In 2005 werd ze staatsburger van Polen. Slechts negen van haar gedichten waren gepubliceerd in officiële tijdschriften toen ze in 1975 de USSR verliet; de rest circuleerde privé ( samizdat ) of werd in het buitenland gepubliceerd (tamizdat).

Ook het gedicht dat Lieke Marsman vertaalde heb ik kunnen achterhalen.

.

Sterven is – de globe omkeren en leven aan de ommezijde,
tegenvoeter worden van de aardbodem en van het kind,
geen berouw meer kennen en verharden in bewusteloosheid,
het verschil vergeten tussen zuster, kind en minnaar.

Sterven is – van een brug af vallen als een lucifer,
die de oceaan op drijft en aanspoelt in het binnenland…
Wie niet gestorven is, weet niets en begrijpt niets,
hij zet een gebarsten glas aan zijn mond, of een gammele fluit.

.

 

Achter gewone woorden

De beste poëzie uit tien jaar De Tweede Ronde

.

In 1990 gaf het literair tijdschrift De Tweede Ronde, dat van 1981 tot 1993 werd uitgegeven door uitgeverij Bert Bakker (daarna door Van Oorschot en als laatste door Mouria) een bloemlezing uit naar aanleiding van hun 10 jarig jubileum. Het geeft een beeld, zo stellen de oprichters Marko Fondse en Peter Verstegen in hun voorwoord, van de beste Nederlandse poëzie die tussen 1980 en 1990 in het blad verscheen.

Het is poëzie, zo schrift men verder, waarin het verstand niet is uitgeschakeld, die niet primair appelleert aan het irrationele of onbewuste, en waarin is gestreefd – in  overeenstemming met de klassieke traditie- naar ordening, naar wat er kan ontstaan uit de fusie van gevoel en intelligentie, naar het buitengewone dat wordt opgeroepen met gewone woorden, en wat daarachter zit. Bent u er nog?

Van de namen van wie relatief vaak poëzie werd opgenomen in het tijdschrift heeft men vier gedichten genomen en en van de overige één gedicht. Op zichzelf een logische beslissing, blijkbaar waren de dichters die vaker werden opgenomen in het tijdschrift bekender of geliefder. bij het lezend publiek. Als ik de namenlijst doorneem zie ik dan ook allerlei voorbeelden van dichters bij wie ik daar meteen een beeld bij heb: Herman de Coninck, J. Eijkelboom, de net overleden Esther Jansma (één gedicht!), Neeltje Maria Min (één gedicht), Leo Vroman en Jean Pierre Rawie (aan wiens gedicht ‘Moment’ de titel zijn bundel heeft ontleend).

Maar toch ook verschillende dichters van wie ik in ieder geval nog niet gehoord had. Mees Houkind, H.L. Prenen, Harry Pallemans, Rob van Moppes, Jaap Westerbos en Klaas de Wit, allemaal vertegenwoordigd met één gedicht. Maar er is ook een dichter (naast Cees van Hoore en Marko Fondse) die ik niet ken en toch met drie gedichten is opgenomen en dat is Georgine Sanders (1921-2015).

Hoewel haar naam mij vagelijk bekend voorkwam kon ik haar niet plaatsen. Tot ik haar naam opzocht en bleek dat zij de vrouw was van dichter Leo Vroman (1915-2014). Maar ze was vooral antropoloog en schrijver. Daarnaast schreef ze twee dichtbundels: ‘Onvoltooid bestaan’ (1990) en ‘Autogeografie’ (1991). Overigens is Georgine veel bekender dan menigeen zal denken doordat ze met regelmaat in de poëzie van Leo Vroman werd opgevoerd als de geliefde Tineke en ook als Tineke Vroman-Sanders.

In deze bloemlezing dus drie gedichten van haar opgenomen. Ik koos het gedicht ‘Weerbericht’ omdat hier duidelijk naar voren komt hoe ze, na inmiddels 27 jaar in Brooklyn te hebben gewoond, toch nog steeds terugdenkt aan de tijd dat ze in Nederland woonde en dan met name aan dat laatste harde oorlogsjaar.

.

Weerbericht

.

Hoe zacht en vochtig voelt de lucht vandaag.

Een grauwe sneeuwbank drenkt het dorre gras

en vlakke kou ontleedt zich, laag op laag

van geuren die herroepen hoe het was

.

nu lang geleden, langer nog, het langst.

En, oude vrouw, ben ik opeens weer kind

in Amsterdam, doorsta in Utrecht de angst

om dat hard oorlogseind in voorjaarswind.

.

In deze straat in Brooklyn, zonder zon,

die gister nog slechts ging van hier naar daar,

loop ik door een herwonnen werkelijkheid

.

en zie hoe hier de lente weer begon.

Wat eens bestond maakt nog mijn heden waar:

de geur van het verleden weert de tijd.

.

Brooklyn, juni 1987 – mei 1988

.

Stof

Redbad Fokkema

.

Lezend in de bundel ‘Je bent mijn liefste woord’ Gedichten voor bijzondere momenten uit 2015 en samengesteld door Anne Vegter, kwam ik een gedicht tegen van een mij volledig onbekende dichter. Deze dichter Redbad (Ludger Klazes) Fokkema (1938-2000) was naast dichter, literatuurhistoricus en docent moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Utrecht. Daar promoveerde hij in 1973 op de poëzie van Gerrit Achterberg met ‘Varianten bij Achterberg’. In 1979 schreef hij over de Vijftigers de studie ‘Het komplot der Vijftigers’. In 1999 stelde hij de bundel ‘Aan De Mond Van Al Die Rivieren’ samen, een geschiedenis van de Nederlandse poëzie sinds 1945.

In 1980 debuteerde hij als dichter met de bundel ‘Elke dag is de eerste’ waarna het tien jaar duurde voordat hij met een opvolger kwam getiteld ‘Het doek van de dag’ (1990). Thema’s in de poëzie van Fokkema zijn tijd en eeuwigheid, taal en verbeelding en het eigen verleden. Voor de poëziecriticus die Fokkema was, was poëzie een vorm van communicatie waarbij vorm en inhoud beide een centrale rol spelen. Wie dit communicatieproces wil doorgronden, dient zijn aandacht te vestigen op de manier waarop de taal in een bepaald gedicht gestructureerd is. Goede poëzie koppelt een oorspronkelijke thematische inhoud aan een ingenieuze en verzorgde poëtische vormgeving.

Het is bij deze twee bundels gebleven. De bundels werden niet in grote oplages gedrukt dus Fokkema heeft nooit een groot publiek gekend. De weinige aandacht die er was voor de bundels was wel positief. Niet dat ik alle dichters uit het Nederlands taalgebied ken, verre van, maar het maakte me wel duidelijk waarom ik de naam van Fokkema als dichter niet kende. In ‘Je bent mijn liefste woord’ is het gedicht ‘Stof’ opgenomen uit de bundel ‘Het doek van de dag’.

.

Stof

.

Als ik van je dood mag gaan

leg mij dan weg en zeg: het

is zo niets. Strijk de plooien

glad, en laat in godsnaam

bloemen na die niet bestaan.

.

Oceaan

Lianne van Kalken

.

Ik schrijf al vele jaren over poëzie en dichters en dat doe ik met veel plezier. Een van de leukste aspecten aan het schrijven over poëzie is het ontdekken van nieuwe dichters, dichters die ik al kende maar niet als dichter maar als schrijver bijvoorbeeld. En daar is nu een categorie aan toegevoegd. Dichters die ik ken vanuit een heel andere hoek (in dit geval een wethouder) maar niet als dichter.

Van een vriendin hoorde ik dat een van de wethouders waar ik regelmatig mee te maken heb beroepshalve, ook dichter is. Het gaat hier om Lianne van Kalken (1990) tegenwoordig wethouder in Vlaardingen maar reeds op 17 jarige leeftijd debuterend dichter met de bundel ‘Bar’ in 2007. Ze stond in de Doe Maar Dicht Maar-bundels van 2005 en 2006. In 2007 was ze één van de beste tien winnaars. Ook publiceerde ze in het tijdschrift ‘Zuiderlucht’. Naast het schrijven van gedichten was ze redacteur bij Krakatau waar ze gedichten publiceerde en recensies voor schreef. In ‘De 21ste eeuw in 185 gedichten’ is een gedicht van haar opgenomen. En op Hekelvers is een fraai gedicht van haar opgenomen uit haar debuutbundel.

Ik wil hier het gedicht ‘Oceaan’ met jullie delen. Een gedicht waarin met plezier met de taal wordt gespeeld.

.

Oceaan
.
Ik koester je om de inktvlekken
die je mij kan laten vuil maken opdat jou
.
De ijzige blik van je mond als je slaapt
wandelt,
je loop van stappen kent geen vastere grond
onder je – dat weet je.
.
De komma’s die ik door je kan denken
achter elke zin bestaat geen einde.
.
Opdat je trouwer bent dan alle
golden retrievers bij elkaar en
hóe ironisch: je bent niet eens
een hondenvriend.
‘.
Omdat ik los kan laten van je terwijl
tegelijkertijd mijn hele zijn tegenstribbelt
maar omdat het principe kan zijn in mij.
.
Je bestaan brengt trillingen over
van hier tot troost en verder
dan de grootste afstand.

Ik koester je
omdat mijn taal geen gebrek
aan je kan spreken.

‘.

 

 

Totem

Dewi de Nijs Bik

.

De shortlist van de Grote Poëzieprijs 2024 is bekend en één van de genomineerde bundels voor deze prijs is ‘Indolente’ uit 2023 van Dewi de Nijs Bik (1990). In 2020 schreef ik al eens over haar op dit blog. Toen naar aanleiding van een gedicht van haar dat was opgenomen in een verzamelbundel ‘Grenzenloos’ uit 2018. En dit keer dus over het gegeven dat haar debuutbundel is genomineerd voor de Grote Poëzieprijs 2024. In de bundel ‘Indolente’ spelen oesters en parels een belangrijke rol. De leeservaring is als het openen van oesters; na veel moeite tref je af en toe een parel aan.

Hettie Marzak schrijft in haar recensie op literairnederland.nl: “Ze maakt gebruik van een aantal gevarieerde en moderne versvormen: prozagedichten, collages, inventarisatielijsten, handleidingen en visuele poëzie met verspringende versregels en cursief gedrukte woorden. Die veelzijdigheid van deze bundel wordt ook verwacht van de lezer.”

Deze veelzijdigheid komt terug in het gedicht ‘Totem’, net als de oester. De sfeer van dit gedicht deed me in de verte denken aan het gedicht ‘Banket’ dat ik schreef in 2017. Maar enig speurwerk liet me zien dat de oester een veel gebruikte beeld is voor iets anders in de poëzie. Zoek op dit blog maar eens op het woord oester.

.

Totem

.

Afstand is nodig

om naar elkaar toe te groeien;

er is altijd afstand nodig.

Het woord kan onze schelp zijn

zoals het ons lichaam past: korst

die soms nog wond is, soms

de korst weer wond geworden.

De schelp groeit mee met de grillen

van haar dragers: iedereen

heeft een bed nodig — de genezing

ligt in die wond besloten.

Het bed kan onze schelp zijn

waaraan grillig vlees zich hecht;

ruimte is nodig.

Er is altijd een ruimte.

.

Profiel van een generatie

Wim Gijsen

.

In een tweedehandsboekenwinkel kwam ik ‘Paradox, profiel van een generatie’ tegen. Een bloemlezing uit de poëzie van de Zestigers, samengesteld door Peter Berger. Een bundel uit 1964. Op zichzelf is dit al vreemd dat je een groep dichters bij elkaar zet onder de naam Zestigers terwijl het decennium nog maar 4 jaar op stoom is. W. Raaijmakers maakt er in ieder geval gehakt van in een artikel in Streven uit 1964/1965 (jaargang 18).

Op Wikipedia worden de Zestigers als volgt beschreven: Met de Zestigers wordt een literaire beweging in Nederland uit de jaren zestig aangeduid. Na de vrije opvattingen van de literaire beweging de Vijftigers, predikten zij een nieuw realisme. De belangrijkste vertegenwoordigers hadden zich geschaard rond het tijdschrift Gard Sivik en De Nieuwe Stijl en het Amsterdamse tijdschrift Barbarber.

Het gegeven dat we nog steeds over de Vijftigers praten en er nog steeds aandacht voor de denkbeelden is van deze generatie dichters, terwijl we eigenlijk vrijwel nooit (meer) iets horen over de Zestigers zegt iets over de samenhang en de richting van deze laatste groep. De vijftigers waren een duidelijke groep jonge dichters die zich afzetten tegen kunstopvattingen van hun voorgangers (met name de oorlogs- en vooroorlogse generatie dichters). De Zestigers zetten zich af tegen Vijftigers, met een neorealistische stroming, waarin de realiteit als vorm van kunst werd gepresenteerd. Zij waren fel gekant tegen de ‘verbale experimenteerkunst van de Vijftigers’. Beeldspraak en de persoonlijke gevoelens van de kunstenaar werden afgewezen. Verwant met het Amerikaanse popart zocht men zijn inspiratie in de werkelijkheid, en vond dit bijvoorbeeld in reclameteksten.

De vertegenwoordigers van deze stroming die destijds als literaire avant-garde beweging werd gezien, was in zijn tijd invloedrijk, maar is later juist bekritiseerd als geperverteerd door commercie.  Hoe dan ook is het lezen van ‘Paradox’ interessant. Ik ben het wel eens met W. Raaijmakers die in zijn artikel schrijft dat er een aantal zeer goede dichters in deze bundel zijn opgenomen (Hamelinck, Hazeu, Bernlef en Oosterhuis) maar dat er ook nogal wat dichters in zijn opgenomen die de waardering van Raaijmakers niet krijgen. Natuurlijk is dit, zoals Raaijmakers terecht stelt, een persoonlijke voorkeur, maar ik begrijp wel wat hij bedoelt.

Een naam die zeker tot de eerste groep behoort is Wim Gijsen (1933-1990). Ik kende hem eigenlijk als schrijver van Science Fictionromans maar hij was ook hoorspelacteur en dichter. Hij publiceerde gedichten in Maatstaf, Ontmoeting, De Nieuwe Stem,  Bzzlletin en DW & B. In 1962 publiceerde Nijgh en Van Ditmar de bundel ‘Tot de tanden gewapend – Weerloos’ van Gijsen.

Uit deze bundel is een gedicht opgenomen in ‘Paradox’ getiteld ‘Ballade van de dodelijke regen’ waarin de voorliefde van Gijsen voor science fiction doorsijpelt.

.

Ballade van de dodelijke regen

.

nergens was ik sterk genoeg om tot de goden te bidden

maar ik zag de wereld nooit ouder dan vandaag,

een grijsaard die overal tekort schiet.

.

daar waren hele volkeren

liggende aan de gezaghebbende bronnen

onder bekoring der vooruitgang,

zij hoereerden op zeer wetenschappelijke wijze

en de felpijlige zonen

deze kinderen van ontucht

namen de wijk naar de ruimte.

van hun ouders

kregen zij niets mee dan een handvol erts

onherkenbaar – en bollen waarmee zij

de wereld van zichzelf konden bevrijden.

.

– desondanks – ieder volk had tovenaars

waarvan de oudsten zich in rimpels verscholen hielden

– onder hen heerste een groot gebrek aan haar –

en soms ontplofte een enkeling

in een stofwolk van duiven

(later als loos sprookje uitgegeven

deed hij zijn werk opnieuw en stierf niet meer)

.

Lieke Marsman

Man met hoed

.

Lieke Marsman (1990) debuteerde als dichter in Tirade. Haar eerste bundel, ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’, verscheen in 2010. Ze kreeg daarvoor de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de Liegend Konijn Debuutprijs en de C. Buddingh’-prijs. In 2014 verscheen haar tweede bundel, ‘De eerste letter’.

In de bundel ‘Man met hoed’ zijn deze eerste twee bundels van Lieke Marsman bijeengebracht. De bundels worden bovendien aangevuld met vroeg en minder vroeg werk, en met enkele vertalingen. Laura Demelza Bosma schrijft in haar recensie van deze bundel op Meandermagazine.nl :

“Hoewel de dichteres allerlei thema’s aansnijdt die stof tot nadenken (en navoelen) brengen, zorgt ze er eerst voor dat haar lezer met haar op één lijn komt zitten. Daarna komt ze met gedachtenladders, die kunnen alle kanten op maar beloven hoe dan ook diepgang én amusement. In een enkele zin kan Marsman ogenschijnlijke contradicties verenigen, zoals bijvoorbeeld kwetsbaar en cool.”

In april 2018 werd in Marsmans bovenrug een kwaadaardige bottumor ontdekt die met succes operatief kon worden verwijderd. Als gevolg van deze ingreep kon Marsman haar rechterarm weliswaar bewegen, maar niet meer omhoog doen. In ‘De volgende scan duurt 5 minuten’ uit 2018, beschreef ze dit proces. Deze dichtbundel werd in het Engels vertaald door de in Nederland opgegroeide Britse dichteres Sophie Collins.

In 2021 kwam van Marsman de dichtbundel ‘In mijn mand’ uit. In diezelfde maand werd zij voor de periode van 2021-2023 benoemd tot Dichter des Vaderlands. In 2023 verscheen de bundel ‘Ter gelegenheid van poëzie’ met gedichten en stukken die ze schreef als dichter des vaderlands.

Uit de bundel ‘Man met hoed’ komt het gedicht ‘Jarig’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’ uit 2010.

.

Jarig

.

Ik dacht dat ik mezelf een boek ging geven,
maar het werd een plant
Ik had geen plaats voor een plant,
want ik had er al veel te lang aan gedacht
.
Soms word ik ’s nachts wakker en kijk ik of mijn buik nog plat is
Meestal is het te donker om iets te zien
Dat is niet gek, het is nacht
.
Meestal is mijn buik vol
Zo vol als een buik nadat ik cake heb gegeten
Cake, mijn hele verjaardag lang

.

Dan

Joost Oomen

.

Dichter, schrijver, columnist, drummer en performer Joost Oomen (1990) debuteerde in 2011 met de dichtbundel ‘Vliegenierswonden’. Hij was huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen en stadsdichter van Groningen en won in 2011 het Hendrik de Vriesstipendium voor nieuwe literatuur. In 2021 werd hij door de Volkskrant uitgeroepen tot hét literaire talent van dat jaar. Na tien jaar lang langs alle poëziepodia van Europa te trekken verscheen in 2023 eindelijk zijn dichtbundel ‘Lievegedicht’. Joost Oomen staat dit jaar voor het eerst op de Nacht van de Poëzie dat op 7 oktober plaats vindt in Utrecht.

Uit zijn laatste poëziebundel ‘Lievegedicht’ nam ik het gedicht ‘Dan’. En hoewel Onno-Sven Tromp in zijn recentie op de Meanderwebsite heel terecht stelt: “Als er in ‘Lievegedicht’ één ding duidelijk wordt, dan is het wel dat Oomen een hongerige en dorstige dichter is. De liefde van de dichter gaat duidelijk door de maag. Er staat in de bundel bijna geen enkel gedicht waarin geen eten of drinken voorkomt, variërend van pudding tot ananaszee en van lolly’s tot roomboter.” is er in dit gedicht slechts sprake van het delen van een nectarine.

.

Dan

.

eerst heb je elkaar
nog nooit gezien

 

dan heb je elkaar gezien
maar weet je het nog niet
bijvoorbeeld op een groot feest waar je
later van weet dat je er allebei was
als dichte sneeuw
waarin geen vlok geen vlok
de ander zag
maar uiteindelijk samen
in een dekbed belandde

.

dan zie je elkaar
voor de eerste keer

.

dan zoen je voor de eerste keer
dan wordt het opeens april
dan hou je van elkaar
dan deel je een nectarine

.

dan leer je steeds beter
hoe de ander het liefst door de stad wil fietsen
en doe je dat vervolgens ook
dan word je een keer nat
zo nat dat je je schoenen leeg kunt gieten
bij thuiskomst op de donkerblauwe mat

.

en je gaat allebei op blote voeten naar boven
je gaat in bed liggen met twee koude regenlijven
stijf tegen elkaar aan

.

dan heb je één keer ruzie in datzelfde bed
dan heb je geen keer ruzie in datzelfde bed
zie je springbalsemien en knijp je erin
dan word je gelukkig en bijt je zachtjes in haar nek

.

dan zegt ze dat ze niet meer slapen kan
voordat jij ‘tot morgen’ hebt gezegd.

.