Site-archief

Seizoenen van het leven

Victor Vroomkoning

.

Afgelopen zondag was ik in Rotterdam tijdens de open atelierroute bij de NE Studio’s op het Noordereiland bij vriendin en kunstenaar Marjoke Schulten op bezoek. Zij had een boek liggen in haar atelier getiteld ‘Seizoenen van het leven’ hedendaags getijden- en pelgrimsboek uitgegeven door Intermedi-art kunstzaken uit 2015. In dit boek dat volgens de initiatiefnemer Theo van Stiphout een hedendaags getijdenboek is zonder de christelijke context, omdat deze beter past bij de moderne mens, zijn verhalen, gedichten en kunstwerken van verschillende schrijvers, dichters en kunstenaars bijeengebracht.

Veel van de namen van schrijvers en dichters zijn bekend (van Rutger Kopland, Rudy Kousbroek, Désanne van Brederode, Jan Douwe Kroeske tot Tommy Wieringa en Jan Terlouw) terwijl veel van de kunstenaars waarschijnlijk minder bekend zijn. Waarschijnlijk staat daarom achterin dit stevige boekwerk, dat in seizoenen en maanden is ingedeeld, informatie over de beeldend kunstenaars en verder geen informatie over de schrijvers en dichters.

Ik heb voor een van de twee gedichten van Victor Vroomkoning (1938) pseudoniem van Walter van de Laar gekozen getiteld ‘Wachten op de nacht’ uit het herfstseizoen in de maand september.

.

Wachten op de nacht

.

Vanmorgen was hij nog een spelend kind

in een tuin vol beelden, vanmiddag een

jongleur met toverballen op een marktplein,

in de schemering een hemellichaam aan een

trapeze zonder net, maar met de avond viel

hij uit zijn luchtig leven in het vlees terug

van een schouwer, de twee handen om zijn

kop gevouwen, overdenkend hoe het kind

dat in hem opkwam zoveel plaats innam.

.

Nu dooft hij langzaam uit, soms is er nog

een glimp van helderheid waarin de wereld

oplicht, een gelaat dat bij een naam past,

bij een ding een ander ding totdat het weten

hem ontvallen zal en er geen dag meer kraait.

.

 

Redeloze rijmen

Daan Zonderland

.

Heel af en toe vind ik ergens een bundel waar ik met verbazing en plezier naar kijk. Meestal zijn dit wat oudere (maar niet exclusief), bijzonder vormgegeven bundels. Bundels waar het plezier van het maken vanaf spat. Zo’n bundel is ‘Redeloze Rijmen’ van Daan Zonderland uit 1952. Nu bezit ik geen exemplaar uit 1952 helaas, die werden bij de jaarwisseling aan vrienden en relaties van uitgeverij Het Spectrum aangeboden en zijn zeldzaam, nee ik bezit sinds kort een facsimile-herdruk uit 1976.

Deze uitgave is een feest voor vormgevers, liefhebbers van lettertypen en van een ieder die een zekere vorm van gekkigheid (nonsensrijmen) in de poëzie wel kan waarderen, zoals ik. Gedrukt op pakpapier (Beetskraft van onbestemde kwaliteit) en gezet in meer dan 50 verschillende lettertypen en voorzien van ouderwetse afbeelding in zwart en rood gedrukt en voorzien van een opdracht ( ‘Allereerbiedigst opgedragen aan al mijn vrienden die Piet heten’) is dit een bundeltje om te koesteren.

Daan Zonderland (1909-1977) was het pseudoniem van Daniël (Daan) G. van der Vat. Gedichten van hem zijn in bloemlezingen in de boekenkast van vrijwel elke poëzieliefhebber te vinden. Ook schreef hij een reeks klassieke kinderboeken, onder meer over Jeroen.

In de bundel worden nonsensrijmen en wat we tegenwoordig light verse verzen zouden noemen,  aan de hand van het alfabet (en daarna nog eens in een zelf bedacht alfabet) gepresenteerd. Om een idee te geven heb ik voor de rijmen bij de letter W gekozen en uit het ‘tweede alfabet’ voor de letter Dd(t).

.

W

.

Een rechtervoet ging door de laan.

Daar liep een linker achteraan.

Die had geen andere idealen

Dan ééns de rechter in te halen.

.

Diep ging hij onder leed gebukt,

Want nimmer was het hem gelukt

Om zelfs maar één keer in zijn leven

De rechtervoet voorbij te streven.

.

(De eigenaar van deze voet

Was slager in het plaatsje Groet.

Doch er zijn andre narigheden

Waaraan door slagers wordt geleden.)

.

Dd(t)

.

In de wei daar stond een boom.

Die boom had zeven takken.

Daar zaten zeven merels op

En zeven kakkerlakken.

.

De zeven merels zongen luid.

De kakkerlakken zwegen.

Want kakkerlakken zijn van aard

Verschrikkelijk verlegen.

.

 

Niet van deze wereld

Dichter over dichter

.

Vandaag in de rubriek dichter over dichter, de dichter A. Roland Holst (1888-1976) over de dichter, schrijver, diplomaat Reijnier Flaes (1902-1981). Roland Holst en Flaes waren bevriend en correspondeerde met elkaar. Onder het pseudoniem F.C. Terborgh publiceerde hij in de jaren dertig proza en poëzie in de literaire tijdschriften Helikon, Forum en Groot Nederland. Het werk van F.C. Terborgh is vaak in verband gebracht met dat van J. Slauerhoff, met wie hij bevriend was. Omdat hij als diplomaat vele jaren in het buitenland woonde drong zijn poëzie (en verhalen) maar mondjesmaat door tot het grote publiek.

Zijn literaire oeuvre bleef vrijwel onopgemerkt, totdat hij twee prestigieuze literaire oeuvreprijzen kreeg: de Tollensprijs in 1968 en de Constantijn Huygens-prijs in 1971. Zijn verzameld werk werd gebundeld in 1975-1977.

A. Roland Holst schreef het gedicht ‘Niet van deze wereld’ voor F.C. Terborgh en het werd gepubliceerd in de bundel ‘Vuur in sneeuw’ uit 1969.

.

Niet van deze wereld

.

Voor F.C. Terborgh

.

In zichzelf neuriënd, rondom bespot,

door de straatjeugd bedreigd, ging voor zich heen

de onnoozle, de dorpszot, de kroeg langs, tot

een vlegel hem te na kwam.

.

Toen verscheen

in de open deur een wezen, kennelijk

van hoger orde. Toornende verjoeg

hij het gespuis dat links en rechts de wijk

naar elders nam. Zacht, zonder woorden, sloeg

hij om de onnozele zijn arm, en liep

met zijn beschermeling de dorpsstraat uit,

het open land in, dat in nevel sliep.

.

Langzaam kwam een hoog paard hen tegemoet.

.

 

Erasmus

Jan Prins

.

In Rotterdam is men trots op zijn dochters en zonen. Een van hen is de dichter en vertaler Jan Prins (1876-1948) pseudoniem van Christiaan Louis Schepp. Literair-historisch wordt hij gesitueerd in de kring rond het tijdschrift ‘De Beweging’ van Albert Verwey. Het was echter in het tijdschrift ‘De XXe eeuw’ dat Prins in 1903 als dichter debuteerde. Jan Prins vertaalde onder meer de fabels van Jean de La Fontaine maar ook toneelstukken van Racine en Molière en klassieke teksten vertalen, waaronder Plato’s ‘Timaeus’ (1937).

In de bundel ‘De stad waar men is kind geweest’ uit 1946 heeft Prins een gedicht geschreven over het oudste bronzen beeld van Nederland (1622). Het beeld heeft een onrustige geschiedenis achter de rug, zo werd het verschillende keren verplaatst (onder andere door de aanleg van de metro in Rotterdam in 1963) toen het van de Coolsingel naar het Grotekerkplein voor de Grote of Sint-Laurenskerk verhuisde.

.

Erasmus

.

Wij staan in de nabijheid van dat hart

Van ’t oude Rotterdam: De Groote Markt.

.

De huizen in het rond, onder hun daken,

Staan dagen en staan jaren door te maken,

Ontkomen met hun stilte aan het rumoer,

Dat tot hem komt van de bestrate vloer.

Zij schijnen aan het leven zelf ontvlucht

Binnen de ronding van de wolkenlucht.

.

Erasmus is nog altijd niet gekomen

Tot aan den laatsten regel van zijn blad.

Hij heeft v het goed onder zijne olmenboomen.

Hij voelt zich thuis in deze binnenstad.

.

Hij ziet fruit, de groenten en de bloemen

Van de verkoopers tot de koopers gaan.

Hij kan u een voor een de namen noemen

Van wie daar in hun kraam te venten staan.

.

De kinders, die naar school gaan, kent hij allen.

Hij kent de menschen van de paardetrem.

Hij wacht, hoe de uren uit den toren vallen

Van de Sint Laurens met haar diepe stem.

.

Hij waakt over de wat te late lieden

die nog bij nacht voorbij gaan op het plein,

hij waakt dat hun geen onheil zal geschieden

mochten zij een ietsje onder de invloed zijn.

.

Op al wat rijdt houdt hij het oog geslagen,

op hand- en hondenkar, en bovenal

op de droefgeestig trage sleperswagen,

vanwaar die komt, waarheen die wenden zal.

.

De paarden slaan hun uitgesleten hoeven

in stugge ijver op de stenen neer

De sleper die zijn pruimpje zit te proeven,

hoog op de bok, schommelt daar heen en weer.

.

Zo kijkt hij naar het Steiger, naar het Hang,

en naar het oude Huis van Duizend Vrezen.

Hij denkt waar hij getuige van moest wezen

destijds: hij denkt aan veel, de dag is lang.

.

Dan ziet hij, met hare opgeschorte rokken,

een dienstmeid bezig met de glazenspuit.

Hij ziet een meeuwenvlaag rondom zich vlokken

en daar beneden op een platte schuit

ziet hij twee mannen diep gebogen staan,

die met hun baggernetten modder scheppen.

.

Dan, om de hoek, begint een klok te kleppen.

Erasmus weet het al de Beurs gaat aan.

.

Alara Adilow

Verval

.

Alara Adilow (1988) won afgelopen week de Herman de Coninckprijs voor poëzie 2023. In 2019 stond Alara al in de finale van de NK Poetry Slam. In 2022 won ze de El Hizjra Literatuurprijs, werd ze geselecteerd voor een residentie voor de queergemeenschap in Museum Arnhem en verscheen haar debuutbundel ‘Mythen en stoplichten’ waar dus nu de Herman de Coninckprijs voor poëzie is toegekend.

Alara is queer schrijfster van Somalische afkomst. Alara is een pseudoniem, ze koos deze naam omdat het in het Turks  waterfee betekent, iemand die dingen mooi maakt, en omdat het de naam van een Nubische koning was. Over haar achternaam zegt ze: “Ik wilde een buitenlandse naam, een buitenlandse achternaam. Ik heb toen voor een Ethiopische naam gekozen, van een favoriete spoken word artiest. Mijn naam is een hectische poging om een land te redden en geparafraseerd: mijn naam is een voertuig, een vliegtuig dat mij naar de aarde vervoert die ik nooit heb kunnen voelen”.

Uit de bundel ‘Mythen en stoplichten’ koos ik het gedicht ‘Verval’.

.

Verval

Tussen de morgen en een lichaam.
Neerslag, een windvlaag, een kopergroen lintje in de berk.

In het donker lijkt de wijk een verwonde ruimte,
alsof zij zelf is mishandeld en daarom niet beter weet
dan ons te behandelen zoals ze doet.

Met een hand aan de lantaarn
hangt een dik wijf met wit haar in haar blote kont te schelden.
Haar linkerhand vol vettig licht van duizenden mannen zonder glorie.

Ik zit in een hoekje te luisteren,
moet pissen als fuck,
dat wijf ziet mij
hurken in mijn roze minijurk,

mezelf aan het ontlasten.

Een vos snuft aan een leeg sardineblik bij de overvolle afvalbak.
Ik druk mijn wang tegen de muur aan.

Weet je nog toen wij in bed lagen als twee luizen
in het blonde haar van de economie.
Jij zong voor mij, je had een valse stem.

Je zag al snel in dat ik niet de juiste was om eeuwig lief te hebben.
Ik ben al vaak bedrogen en ik lieg zelf ook vaak genoeg.

Heb delen van mijzelf verkocht,
Ik wil glimmende dingen bezitten.

.

De schaduw van Morandi

Antoon Van den Braembussche

.

De Vlaamse dichter Antoon Van den Braembussche (1946) doceerde kunstfilosofie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en kunstkritiek aan de Vrije Universiteit Brussel. Voor hem is poëzie een creatieve plek waar kunst en filosofie elkaar kunnen ontmoeten. Tel daarbij op de kernthema’s die in zijn werk voorkomen; liefde, stilte en het onuitsprekelijke, en je hebt alle ingrediënten voor de bundel ‘De schaduw van Morandi’ bij elkaar. Deze bundel uit 2022 is inmiddels zijn zevende.

Antoon Van den Braembussche debuteerde al in 1967 als dichter, maar zijn dichtbundel ‘Liefdesverklaring’ wordt beschouwd als zijn eigenlijke, literaire debuut. Deze bundel verscheen in 1979 onder het pseudoniem Tonko Brem in de Yang Poëzie reeks, werd door critici erg goed ontvangen en beleefde meteen een tweede druk. In 1985 en 1995 verschenen opnieuw dichtbundels onder dit pseudoniem maar vanaf 2007, bij het verschijnen van de bundel ‘Kant-tekeningen’ publiceert hij onder zijn eigen naam, vanaf dat moment bewoog zijn poëzie zich veel meer op het raakvlak tussen filosofie en kunst.

‘De schaduw van Morandi’ bestaat eigenlijk uit drie delen die ogenschijnlijk los van elkaar staan. En dat terwijl de bundel is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk is gewijd aan de Corona pandemie, het laatste hoofdstuk is een ode aan de dichter Paul Celan (1920-1970) en de tussenliggende hoofdstukken ‘Het beeld, nogmaals het beeld’ (twee), ‘Moments de grâce’ (drie) en ‘Paradoxen’ (vier) vormen samen eigenlijk ook een deel. In dit tussendeel komt de poëzie zoals Van den Braembussche die beschouwt (in zijn kernthema’s) als een rode draad terug.

Van den Braembussche is een beschrijvend dichter. Hij gebruikt de taal om situaties en gebeurtenissen maar ook gevoelens te beschrijven in heldere taal, in herkenbare strofen en staat daarmee aan de ene kant in een literaire traditie en aan de andere kant verkondigt hij middels thematiek en filosofische soms mystieke inslag een heel eigen geluid. In een gedicht als ‘Af en aan’ Rumi indachtig, uit ‘Moments de grâce’ komt dat duidelijk naar voren.

.

Af en aan

Rumi indachtig 

.

Dansend in het

ongehoorde gaf ik je

de binnenkant van mijn ziel.

.

Daar waar betekenis

er niet meer toe doet.

.

Daar waar enkel nog heerst

 

pure resonantie,

de echo van een stervend lied.

.

Waar dans duisternis wordt,

duisternis een onmetelijke dans.

.

Waar alles af en aan danst

nooit-eindigend,

terwijl de dichter enkel nog

naar woorden tast.

.

In het deel dat over de Corona pandemie gaat is zijn poëzie directer, plaatsbaar in de situatie zoals in het gedicht ‘Lockdown’: Niet alleen de eenzaamheid / kwam handen tekort. Ook de hoop die over / balustrades boog. Of in het openingsgedicht ‘Corona’: In overvolle ziekenzalen / in luidkeelse bedden / tast de dood in het rond. Ongenadig. / Longnabij.

Persoonlijk werd ik het meest gegrepen door de ‘Ode aan Paul Celan’ een cyclus van vier delen met als titel ‘Ein-sof’ (wat uit de Kabbalah komt en zoveel betekent als oneindig, zonder einde). Van den Braembussche schreef dit op uitnodiging van Carl de Strycker voor de Poëziekrant ter gelegenheid van het Celan-jaar in 2020 (honderd jaar daarvoor geboren, vijftig jaar daarvoor overleden). Het gedicht verscheen in de Poëziekrant nummer 2 in 2020.

Waar Celan in zijn poëzie spaarzaam omgaat met woorden en schrijft op de rand van het zwijgen, gebruik makend van gewaagde metaforen en neologismen, die hij voor een deel haalde uit lectuur van geologische boeken, daar put Van den Braembussche uit zijn eigen filosofisch idioom: Sterf voor je sterft, / zegt de mysticus. / Wij hebben in het kamp / en de rookblauwe, / ongeheelde herinnering / niets anders gedaan. / In herfst, getijde en het niets. / Ons stuk kauwend / op de tekens van het ongeziene.

De bundel ‘De schaduw van Morandi’ Gedichten 2018-2021 heeft een uitspraak van M. Vasalis als ‘motto’: “een dichter vertaalt. Geeft taal aan datgene uit zijn binnenwereld dat zelf geen woorden heeft.” Ik vind dat Van den Braembussche daarin goed geslaagd is. De bundel bevat twee illustraties, afbeeldingen van de kunstenaars Sofie Muller en Christian Clauwers.

.

De kunstschilder

Dubbel-gedicht

.

Pas geleden kwam ik een video op Instagram tegen van een Amerikaanse vrouw meen ik, die zich verwonderde over de betekenissen van Nederlandse woorden. Dat er zoveel woorden in het Nederlands zijn die precies hetzelfde zijn en klinken maar een totaal andere betekenis hebben. Iedereen kan er wel een paar bedenken. Bank bijvoorbeeld. Wat heeft een financiële instelling te maken met een meubelstuk voor meerdere personen? Maar er zijn er meer. Toen ik op zoek was naar gedichten in de rubriek Dubbel-gedicht en ik een gedicht zag met als titel ‘Schilder’ dacht ik aan een huisschilder. Maar het betrof hier een kunstschilder, toch een wezenlijk andere professie.

Het tweede gedicht dat ik vond ging ook over een kunstschilder. Vandaar dat het dubbel-gedicht niet gaat over een schilder maar over een kunstschilder al haal je dat niet uit de titels van de twee gedichten.

Het eerste gedicht is van schrijver, dichter, columnist Simon Carmiggelt (1913-1987) en komt uit de bundel ‘Het jammerhout’ dat hij onder het pseudoniem Karel Bralleput schreef en publiceerde in 1955.

Het tweede gedicht is van schrijver, dichter, literatuurcriticus en vertaler Maurits Mok (1907-1989) en werd gepubliceerd in de bundel ‘Spiegel van het menselijk bedrijf’ dat hij schreef onder het pseudoniem Jan Luyken jr. in 1979.

.

De schilder

.

Zijn vrees staat als een bevend spook

te kijk op zijn Picasso-doeken.

Stééds angst, op al die Talens-koeken.

En in de keuken staat ze ook.

.

Want déze vrouw, zo fel en kloek,

verdreef hem uit de luwe sferen

van landschap en van jutteperen,

te hoop gelopen op het doek.

.

O kalme jaren, toen hij dát nog deed:

de lichtvlek mikken op een vaas,

de gaatjes nadoen van de kaas.

Dat stille werk deed niemand leed.

.

maar zij dreef blauwzuur in zijn coloriet.

Haar strengheid tourmenteert zijn kwast,

en als zijn angst zich paars ontlast,

ageert hij tegen haar ‘Kom éten, Piet.’

.

De schilder

.

Stil voor het onbesmette doek

staat daar in afgetrapte broek

de schilder onder wilde haren

dromerig voor zich uit te staren.

.

Dan, eensklaps door de geest gedreven,

begint zijn hand zich uit te leven

en schaft de kunstgeleerden brood,

hetzij aanstonds of na zijn dood.

.

 

Film en poëzie

Anton van Duinkerken

.

Naar aanleiding van mijn bericht over het gedicht van Simon Vestdijk dat hij schreef over Charlie Chaplin kreeg ik van dichter en Meander columnist Hans Franse een tip over ‘Charlie verliefd’ een gedicht van Anton van Duinkerken (1903-1968) dat hij schreef naar aanleiding van een scene uit ‘Gold Rush’ een Charlie Chaplinfilm uit 1925. In deze scene wacht Chaplin als goudzoeker tevergeefs op zijn afspraak. Terwijl hij wacht laat hij de broodjes op zijn bord dansen.

Anton van Duinkerken (pseudoniem van Willem Asselbergs) schreef dit gedicht dat in zijn bundel ‘Lyrisch labyrinth’ uit 1930 zou verschijnen. Films hebben soms een gedicht of een groot episch vers als uitgangspunt en op een andere manier wordt in films graag en vaak gebruik gemaakt van poëzie (zie onder de categorieën Films gebaseerd op poëzie en Poëzie en film). Het komt minder vaak voor dat een film inspireert tot een gedicht. ‘Charlie verliefd’ is een oud maar fraai voorbeeld van hoe een gedicht kan bijdragen aan het (na)genieten van een film.

.

Charlie verliefd

 

De dans der broodjes.

Charlie is moe om de moeheid der aarde
en moe om de moeheid der sneeuw.
Charlie is stil – het is oudejaarsavond –
en moe om ’t verlopen der eeuw,
moe om de tijd, dat hij kind was en man werd,
om wereld en God is hij moe,
en moe om het meisje en haar grote verdriet.
En zijn ogen zijn stil en toe
en zijn hoofd is een vrucht van de boom
van het grote verdriet,
rijp en gebogen ten val. En zijn ogen zijn toe,
dat hijzelf zich niet ziet.
Waarom staan de hutten gehurkt in de nacht?
Is de maan het restant van een feest?
De wereld is wit en een sneeuwwoestijn,
maar de wereld is witter geweest
en ònzegbaar veel lichter bij ’t licht van een kaars.
De wereld was vrolik en klein
als de plaats aan den haard in je moeders huis,
als de dingen, die simpel zijn:
vrolik en klein als ’t gelaat van je lief
en als ’t lieve geschenk dat je haar bood;
de wereld was vrolik en klein als haar blik
en de wereld was eindeloos groot.
Liggen niet boten gemeerd in haar ogen
gereed voor de verste reis?
Zingt in haar kijken haar harteklop niet
zijn enige, eeuwige wijs?
Is niet haar brauwboog een avondroodsgloed?
Deint met haar denken niet mee
het roerloos bewegen van levende ogen:
een rusteloos-rustige zee?
De zomer zijn zij en de regenboog,
die over de zomer zich spant;
zij zijn de wolkloze luchten, de wolken,
de vogels, de sneeuw en het land.
Hier is haar plaats aan zijn ledige tafel,
– haar plaats in zijn ledige hart!
Charlie is moe om ’t verlopen der eeuw
en stil om het meisje, dat mart,
stil om het meisje. – Wees stil! – om het meisje! –
Niet dansen! Nu geen romantiek!
Straks geven haar lippen hun klaat’rende lach
en haar ogen hun blanke muziek.
Haar lach is een dorp aan een waterval
en je hoort in de verte de fluit
van een fijn muzikant. – Bedwing je! Niet dansen!
Haar lach is de lach van een bruid.
– Niet dansen! – Haar lach is de luide minuut,
die eeuwigheden duurt.
– Hoe ligt het landschap in ’t licht van zijn ziel
nu plotseling verpuurd:
de sneeuwwoestijn werd een vroom gebed
en een lichtende duisternis
geheimnisvol als het hart van een kind,
dat pas geboren is
en ook zoo eenvoudig. – Niet dansen! Niet dansen!
En Charlies vreemd gemoed
is simpel als zijn meisjes lach
en als haar ogen goed.
De kamer is een klein paleis. Hij doet de
donkere luiken dicht
en denkt alleen aan het haardvuur en aan
het vriendelik kaarselicht
dat wel een glimlach lijkt: het is
onroerbaar brekelik en fijn
en edel op zijn ranke leest:
het kon haar glimlach zijn!
– Niet dansen! Alleen nog maar denken aan ’t werk!
Hij schuift de stoelen bij;
hier is háár plaats aan zijn ledige dis,
– Niet dansen! – háár plaats aan zijn zij!
Hier is haar plaats! Hij streelt verliefd
de stoel, waarop zij strakjes zit.
– Geen romantiek! Bedwing je hart! –
De broodjes zijn héél wit,
zo wit als maar háár tanden zijn.
– De broodjes geuren goed
en hebben juist de lieve vorm
van liefjes kleine voet.
– Zij toeft! – Bedwing je hart! (…háár hart!) –
De broodjes voor haar mond
gelijken op haar voet – hoe dwaas! –
en het laken gelijkt op de grond
en het leven gelijkt op een buiteling!
De wereld wordt vrolik en klein
als de plaats aan den haard in je moeders huis
en de dingen, die simpel zijn.
De wereld is niets dan de vorm van die broodjes.
De wereld is eindeloos goed
en enkel geschapen voor Charlie en haar en de dans
van haar lichte voet,
die is als de dans van een toverprinses,
een sterk en innig geweld
en ook als de dans van een brede rivier
en ook als een korenveld.
Haar dans is de smaak van het brood in je mond
en zacht als haar mantel van wol
en teer als haar ogen en wit als haar kleed en
bedwelmend als alcohol.
– Zij nadert – haar voetjes, haar handen, haar hoofd
en alles is maneglans
de hemel is licht van haar licht en de sterren
dansen om haar hun dans.
Haar polsen zijn zingende vogels.
Haar stem is het aards paradijs.
Haar voeten zijn liedjes. Haar gang is een hymne.
En de broodjes dansen de wijs.
De broodjes dansen onhoorbaar bewogen op Charlies
klein tafelkleed
de dans van ene, die alle leed
en alle verrukking vergeet
om déze verrukking, een soepele dans
over alle geleden pijn
mild als het water der milde rivier,
dat na lang eenzaam zijn
stroomt in een stadje: torens gaan open en klokken
zijn klaar in de lucht
als spiegelende ogen boven het water en ook
als een duivenvlucht.
Hun dans is de stad en de mensen,
de stille gemeenzaamheid
met alle goed, dat het leven je geeft
en met ieder, die eenzaam lijdt
in kleine huizen, verborgen aan grachten
of aan de verwijderdste rand
van de stad, waar maar weinig verkeer is.
Hun dans is de zon op een strand
en de woorden, die worden gefluisterd
wanneer het avond is
en ook van een zomerse maannacht
de blinkende duisternis.
Hoezee! voor de tover der maten!
Hoezee! voor de dans van haar voet,
die danst in de dans van de broodjes,
zooals in haar polsen haar bloed
het dansen verraadt van haar hartje,
dat is als een toren aan zee
en ook als een eenzame duif op een dak
en ook als een wereldzee.
De dans van haar hart in haar polsen
is mooi als een avondrood.
De wereld is vrolik en klein als haar blik
en de wereld is eindeloos groot.
Zingt in haar kijken haar harteklop niet
zijn enige, eeuwige wijs?
Liggen niet boten gemeerd in haar ogen
gereed voor de verste reis?
Is niet haar brauwboog een avondroodsgloed?
Deint met haar denken niet mee
het roerloos bewegen van levende ogen:
een rusteloos-rustige zee?
De zomer zijn die en de regenboog,
die over de zomer zich spant,
zij zijn de wolkloze luchten, de wolken,
de vogels, de sneeuw en het land!
Onhoorbaar bewogen dansen de broodjes
opnieuw op het tafelkleed
de dans van ene, wier uiterste liefde
’t heelal en zichzelve vergeet.
Roerloos van eerbied bewegen handen
en ogen verschreien hun pijn
om het leed van het meisje en om ons aller
gedurig verlaten zijn.
De dans is de sprong van een stervende gems;
de dans is een ver verdriet.
De dans van de broodjes is alles, maar is
de dans van háár voetjes niet.
De nacht is verlaat en de kaars is verbrand
en Charlie is erg moe,
erg eenzaam en moe om háár grote verdriet.
En zijn ogen zijn stil en toe
en zijn hoofd is een vrucht van de boom
van het grote verdriet,
rijp en gebogen ten val. En zijn ogen zijn toe
dat hijzelf zich niet ziet.
De wereld is wit en een sneeuwwoestijn;
de wereld is eindeloos wijd
– Wat mart zij? – De nacht is een zwarte spelonk
en de ziel een verlatenheid.

Even lekker bomen

K. Schippers

.

In het kader van de vrolijke vrijdag (okay een dag te laat maar beter een dag te laat dan geen vrolijke vrijdag toch?), een lichtpuntje in deze grijze tijden, vandaag een gedicht van K. Schippers (1936-2021) pseudoniem van Gerard Stigter. In zijn bundel ‘Een leeuwerik boven een weiland’ uit 1996 staat het ietwat absurde maar daardoor niet minder grappige gedicht ‘Bomen’.

.

Bomen

.

boom

boom

boom

boom

boom

boom

boom

boom

.

Hoorn, maart ’66

.

boom

boom

boom

boom

boom

boom

boom

boom

.

Edam, mei ’66

.

Dan

Waarvandaan

.

Hans Tentije (1944) is het pseudoniem van Johann Krämer.  Deze dichter, schrijver en leerkracht ontving meerdere prijzen voor zijn werk. Zo ontving hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Herman Gorterprijs, de Constantijn Huygens-prijs ( De jury prees Tentijes poëzie om zijn ‘trefzekere observatie, oog voor detail en rake typeringen van personages en landschappen.’), de Karel van Woestijneprijs en de Guido Gezelleprijs van de stad Brugge. Cynisme is een constante in het werk van deze, geboren Beverwijkse, dichter, maar in zijn latere werk is ook het avontuurlijk leven een thema.

Tentije debuteerde in 1975 met de bundel ‘Alles is er’ waarna meer dan 20 publicaties zouden volgen. En nu, in 2022 is er de bundel ‘Waarvandaan’. Marc Bruynseraede schrijft in zijn recensie van ‘Waarvandaan’ op de site van Meander : “De gedichten zijn geen afspiegeling van de werkelijkheid maar een verbeelde of ingebeelde werkelijkheid, hoe levensecht ze er ook uitziet. Het gaat hier om een werkelijkheid achter de werkelijkheid of een werkelijkheid met dubbele bodem.” Niet voor niets dus dat de clubkeuzebundel van poëzietijdschrift Awater deze maand ‘Waarvandaan’ is van Hans Tentije.

.

Dan

.

Hoe gebeurtenissen elkaar kunnen beïnvloeden

en zo vertekend raken, terwijl ze iemand

op het lijf geschreven leken voor ze zich ingroeven

diep vanbinnen –

.

als er een onuitputtelijk geheugen zou bestaan

waarin zelfs het minste of geringste terug te vinden was

afhankelijk van de situatie, lichtval

en stemmingen, zorgwekkende berichten

in het nieuws die dag

.

dan schiftte het afweervermogen

wat er zich voordeed, ontkende het of verdrong

al het pijnlijke, vernederende, ergste –

.

maar onberekenbaar is het vergeten

.