Site-archief
Om buiten te zingen
Hugo von Hofmannsthal
.
De Oostenrijkse dichter Hugo von Hofmannsthal (1874 – 1929) kende ik niet (ik ken eigenlijk geen Oostenrijkse dichters behalve Erich Fried en Ernst Jandl) maar toen ik in de bundel ‘De liefste’ onsterfelijke liefdesverzen tegen kwam was ik aangenaam verrast. Het simpele feit dat Paul Claes deze dichter met een gedicht heeft opgenomen zegt wel iets. In ‘De liefste’ zijn de allergrootsten van de wereldliteratuur vertegenwoordigd.
Hugo von Hofmannsthal was een laatromantisch dichter en toneelschrijver. Al moet gezegd dat hij eigenlijk vooral een toneelschrijver was. Deze eenvoudige omschrijving doet hem echter te kort. Hugo von Hofmannsthal was bijzonder productief; vele van zijn plannen zijn evenwel onafgewerkt gebleven. Hij gaf naast vele toneelwerken ook meerdere verzamelbanden met redevoeringen en verhandelingen uit. In de jaren twintig gaf hij lezingen over de kunst en het cultuurleven: hij aardde niet in de modernistische, formele kunststromingen zoals het dadaïsme en verlangde naar een meer conservatieve kunst, waarin de mens zijn geest ontwikkelt en door middel van de kunst tot wijsheid komt.
Ondanks zijn hang naar een meer conservatieve kunst, blijkt uit het gedicht dat is opgenomen in ‘de liefste’ een moderne en vrije geest.
.
Om buiten te zingen
.
De liefste sprak: ‘Ik weerhoud je niet,
Je hebt me niets gezworen.
Men moet de mensen niet weerhouden,
Ze zijn niet tot trouw geboren.
.
Kies je eigen weg, mijn vriend,
Bewonder land na land,
En rust in vele bedden uit.
Neem vele vrouwen bij de hand.
.
En als de wijn te zuur is,
Drink dan malvezij,
En als mijn mond je zoeter is,
Kom dan terug naar mij!’
.
Im Gruenen zu singen
.
Die Liebste sprach: ‘Ich halt dich nicht,
Du hast mir nichts geschworn.
Die Menschen soll man halten nicht,
Sind nicht zur Treu geborn.
.
Zieh deine Strassen hin, mein Freund,
Beschau dir Land um Land,
In vielen Betten ruh dich aus,
Viel frauen nimm bei der Hand.
.
Wo dir der Wein zu sauer ist,
Da trink du Malvasier,
Und wenn mein mund dir süsser ist,
So komm nur wieder zu mir!.
.
Thuisreis
De muze zwerft door Nederland
.
In 1956 gaf de Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels (of zoals ik tijdens mijn studie leerde te zeggen ‘De vereeniging’), ter gelegenheid van de Boekenweek de bundel uit ‘de muze zwerft door Nederland. Dit was een deel uit een serie van 16 delen die werden uitgegeven tussen 1949 en 1964. In dit deel, samengesteld door Ed. Hoornik, gedichten uit haar ontmoetingen met provincies, steden en stadjes.
Uit dit deel heb ik gekozen voor een gedicht van Simon Vinkenoog dat oorspronkelijk verscheen in zijn debuutbundel ‘Wondkoorts’ uit 1950, getiteld ‘Thuisreis’, een gedicht dat niet specifiek over een provincie, of stadje gaat maar over Nederland in algemene zin.
.
Thuisreis
.
omdat ik dit niet dromen wil
droom ik weerbarstig van
vochtland watergewassen –
omdat ik niet meer haten kan
moet ik stroomafwaarts
struikelen –
waar ik geboren ben
waar ik mijn vlag heb hangen
daar is het leven dood
van waterzucht bevangen
o vaderland waar de treinen
onder a.p. niet hard mogen rijden
en waar ik niet mag dromen
in opklapbedden
eenzaamheid
.
Rijmenderwijs
Jan Prins
.
In 1964-1965 werden op de schoolradio (ja die bestond toen) gedichten voorgelezen. De Stichting Nederlandse Schoolradio bracht in 1965 het bundeltje ‘Rijmenderwijs’ uit met de gedichten die op de radio werden voorgedragen. Samensteller was Jaap Maarleveld. In dit mooi geïllustreerde bundeltje staan vele grote namen zoals Willem Elsschot, Bertus Aafjes, A. Roland Holst, H. Marsman en Leo Vroman en Jan Prins.
Jan Prins (1876 – 1948) was een Rotterdamse dichter die actief was in de kring rond het tijdschrift ‘De Beweging’ van Albert Verwey. Prins (pseudoniem van Christiaan Louis Schepp) debuteerde in 1903. Zijn eerste dichtbundel verschijnt in 1911 en is getiteld ‘Tochten’. Prins vertaalde vele gedichten en in zijn eigen werk komt de liefde voor zijn geboortestad Rotterdam regelmatig voorbij. Of hij voor het gedicht ‘De zwerver’ uit ‘Rijmenderwijs’ inspiratie heeft opgedaan in Rotterdam is onduidelijk.
.
De zwerver
.
Door de leegen kouden akker
Loopt een oude, arme stakker,
Zoekend in den harde grond
Of-ie geen petatters vond.
.
Wroetend gaan de zwarte handen,
Klapperend de zwarte tanden,
Gulzig glimt de grauwe mond
Of-ie geen petatters vond.
In de avond nog, bedrogen,
Ging de moede schim gebogen,
Kroop de zwarte schaduw rond
Of-ie geen petatters vond.
.
En alvorens te beginnen
Aan het maal, zei de bazinne
Hoe een groote, vreemde hond
Zocht, of-ie petatters vond
.
Het zingend meisje
De stem der muze
.
In de loop der tijd heb ik verschillende exemplaren van de ‘Muze’ reeks verzameld ( bijvoorbeeld De muze op zee, 2 muzen, De muze viert feest en De muze en Europa) en ik dacht een nieuw exemplaar aan deze reeks te kunnen toevoegen toen ik ‘De stem der muze’ kocht. Maar dit was niet het geval. Waren de exemplaren uit de Muze reeks allemaal Boekenweek geschenken, dat is ‘De stem der muze’ niet. Deze in 1961 uitgegeven bundel met als ondertitel ‘een bundel moderne gedichten om voor te dragen samengesteld door P. Maassen’ is een losse uitgave van uitgeverij J.M. Meulenhoff.
De bundel begint met een ‘Open brief’ of een inleiding van toneelspeler en voordrachtskunstenaar Hans Tiemeyer gericht aan ‘de jongeren van Nederland’. In een gloedvol betoog richt Tiemeyer zich tot de Nederlandse jongeren met de boodschap dit boek aan te schaffen, bij zich te dragen en regelmatig een gedicht eruit te lezen, waarna hij verder ingaat op de melodie, de muziek en het het metrum van de gedichten. Hij pleit er ook voor om de gedichten ‘mee te zingen’om ze zo eigen te maken.
Hij eindigt de brief met: “Nou nog een enkel woord over het meezingen zelf, het voordragen dus: doe het voor jezelf, net zolang tot je alles, maar dan ook alles weet wat de dichter bedoelde. Je zult gelukkig zijn met dit te weten, deel het dan mee aan iemand die je dierbaar is, laat hem of haar delen in je geluk en als je helemaal zeker bent van jezelf, draag het dan aan meer mensen voor. Door dit delen van je rijkdom word je zelf niet armer en worden zij rijker, want ‘Verzen zijn onsterfelijke geschenken’. ”
Ik kan het niet meer eens zijn met hem. Ook daarom een gedicht uit deze bundel van de Vlaamse dichter Karel Jonckheere (1906 – 1993). Deze wereldreiziger bezocht vele delen van de aardbol en zijn reizen waren een grote bron van inspiratie voor zijn gedichten.
.
Het zingend meisje
.
Zij wacht en rilt, als bloemen in de avondwind,
en voelt een tere bron zacht naar haar lippen vloeien.
Reeds deint de klamer in haar blik, die verten vindt,
waarin de melodie tot louter droom kan bloeien.
.
Zij zingt, alleen. Haar jonge, menselijke stem
schenkt aan elk slapend woord het glanzen van koralen;
soms fluistert zij om plots met innig schuchtre klem
de schone, wilde ziel uit éne klank te halen.
.
Wie luistert weet dat er muren zijn en tijd,
hij voelt zich weerom rijp voor reis en avonturen,
maar ook voor stilte en leed en oude innigheid,
en glimlacht wijs en hoopt dat ’t lied mag blijven duren.
.
Bombast en larie
De 25 afschuwelijkste gedichten uit de Nederlandse literatuur
.
In 2009 verscheen in de Sandwich-reeks (nr. 20) de bundel ‘Bombast en larie’ samengesteld door Gerrit Komrij. In dit charmante bundeltje zet Komrij zijn gedachten op papier over hoge en lage poëzie en kiest hij de, vijfentwintig in zijn ogen, slechtste gedichten uit de periode 1822-1935. Komrij’s voorkeur gaat uit naar de edelkitsch, de huilende zigeunerjongetjes in versvorm, en dat leidt tot een kleine collectie zeer onbedoeld vermakelijke gedichten.
Komrij houdt op bij 1935 omdat levende dichters geen toestemming zouden geven voor een dergelijke bloemlezing. Desalniettemin is dit een bundel met heerlijke edelkitsch gedichten, poëzie vol clichés en meer tranentrekkende rijmelarij. Een heel fijn bundeltje dus en het was nog niet eenvoudig om er de, in mijn ogen, slechtste uit te kiezen.
Het is uiteindelijk het gedicht ‘Mijn leed’ geworden van de dichter H.C. Kakebeeke. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Verzen’ uit 1903.
.
Mijn leed
.
Mijn leed staat als een hoge toren van hard metaal
en staart met blinde ogen neer in het verre dal,
waar kommer zweeft, en waar een ongesproken taal
zingt van mijn blij geluk en van zijn droeve val.
.
Zo staat mijn hoge toren in sombere praal,
maar slechts een blik uit tweeër ogen tal
behoeft te wenken één enkele maal
en instorten heel mijn hoge toren zal.
.
Want gewrocht uit hard metaal en sterke steen
is toch hij slechts als gemaakt van ’t zwakste was
wanneer mijn liefste blikt er even heen.
.
Een enkele blik slechts, en zie, ras
ligt hij in puin, er blijft geen steen
om te getuigen, wat eens mijn toren van leed was.
.
Ik heb het rood van het joodse bruidje lief
Pierre Kemp
.
Van sommige dichtbundels of bloemlezingen weet ik nog precies wanneer of bij welke gelegenheid ik ze voor het eerst zag of las. Dat geldt zeker voor de bloemlezing ‘Ik heb het rood van het joodse bruidje lief’ uit 1988 en samengesteld door Ton van Deel. Ik herinner het mij zo goed omdat ik destijds net was begonnen met het collectioneren voor de bibliotheek waar ik werkte. De recensie was niet bijzonder positief, maar mijn interesse was gewekt zodat ik de bundel toch heb aangeschaft terwijl poëzie voor zo’n kleine bibliotheek zeker geen automatisme was om aan te schaffen (eerder het omgekeerde).
Toen ik de bundel een aantal weken later in handen kreeg sloeg ik als eerste het gedicht van Pierre Kemp met de (bijna) gelijknamige titel op. Bij het gedicht een afbeelding van het schilderij van Rembrandt (in zwart-wit, dat wel maar de afbeelding stond op de voorkant in kleur). Toen, en nog steeds, leest het gedicht als een liefdesgedicht, de liefde van de dichter die hij voelde voor het schilderij en de schilder toen hij het schilderij bezag.
.
Het Rood van het Joodse Bruidje
.
De liefste
Louise Labé
.
In de bundel ‘de liefste’ onsterfelijke liefdesverzen uit 1990, samengesteld en vertaald door Paul Claes, staat een prachtig liefdesgedicht van Loise Labé. Deze Louise Labé (1526 – 1566) was een Frans renaissancedichter, schrijfster van amoureuze sonnetten en salonnière (deelnemer aan literaire salons, bijeenkomsten (meestal bij iemand thuis) waar verschillende schrijvers, dichters, filosofen en kunstenaars elkaar regelmatig ontmoeten om literatuur, poëzie, filosofie en soms andere (beeldende) kunsten en politiek te bespreken).
Louise Labé was samen met dichter Maurice Scève het middelpunt van een groep dichters, de Ecole de Lyon. Rond Labé verzamelden zich andere vrouwelijke dichters als Pernette du Guillet. In de bundel ‘De liefste’ staat het volgende sonnet van haar dat ik hier met jullie wil delen.
.
Kus mij, kus mij opnieuw en blijf me kussen:
Geef mij van je waanzinnigste er een,
Geef mij van je aanminnigste er een,
Ik geef er vier weer die niet zijn te blussen.
Wat klaag je? Kom, laat mij je lijden sussen,
Ik geef er jou tien andere meteen.
Wij mengen onze kussen kussen zacht dooreen
En vinden in elkaars genot intussen.
Zo vangt voor elk een dubbel leven aan.
Elk zal in zich en in zijn vriend bestaan.
Laat, Liefde, mij van deze dwaasheid dromen:
Steeds voel ik wrevel om dit kalm bestaan,
En ik ben nooit geheel en al voldaan
Indien ik uit mezelf niet los kan komen.
.
Topkok
Rieneke Minderman-Grobben
.
Begin van dit jaar overleed een bijzondere dichter en geweldige vrouw Rieneke Minderman-Grobben, Rotterdamse uit Charlois, altijd volledig gekleed in het roze. Ik kende Rieneke al jaren, ze was een vaste dichter bij de podia van Ongehoord! en ook daarbuiten kwamen we elkaar regelmatig tegen ook op podia die ik organiseerde, altijd in het gezelschap van haar man Jan.
Vlak voor haar overlijden heeft Joop van der Hor de bundel ‘De wereld volgens Grobben’ samengesteld en uitgegeven waarmee Rieneke als mens en dichter blijft voortbestaan ook nu ze niet meer onder ons is. Ik ben Joop daar zeer dankbaar voor. Rieneke schreef haar gedichten steevast op papieren rollen die ze in haar roze koffertje meedroeg (en waar altijd een lintje omheen zat) maar ze waren verder nergens te lezen. Door de publicatie van ‘De wereld volgens Grobben’ blijven haar gedichten bewaard.
Hoewel ik veel van haar gedichten ken (vaker gehoord uit haar mond) staan er ook nog genoeg in de bundel die ik niet kende. Voor iedereen die de poëzie van Rieneke niet kent maar zeker ook voor een ieder die haar wel kende en haar een warm hart toedroeg (en wie deed dat niet) hier één van mijn favoriete gedichten van haar hand ‘Topkok’.
.
Topkok
.
Ik droomde ik was Topkok
Ik zwaaide de scepter in een restaurant
Een dagmenu of à la carte
Gereserveerd door kelner of ober of gerant!
Schil aardappel, de bint
De eigenheimer
Of de opperdoes en smelt ondertussen
in een grote pan
De van goudreinetten appelmoes
Ik snij
Ik pluk
Ik snipper
Ik pers
Ik kneus
Ik pof
Ik hak
Ik stamp
Ik mix
Ik schaaf
Ik zeef
Ik pel
Ik bak
Ik braad
Ik stoof
Ik smoor
Ik sudder
Ik grill…
En hoe!
Voeg ondertussen
Vers gemalen peper én zeezout toe!
Ik pocheer
Ik lardeer
Ik trancheer
Ik gratineer
Ik blancheer
Ik pureer
Ik pommadeer
Ik fileer
Ik roqueer
Ik schockeer
En
Smeer..
Een boterham
Ik blus
Ik sus
Ik kus
De baas in de bezemkast
Wijn op temperatuur
Oven voorverwarmen
Sfeerverlichting aan
Thermostaat een graadje hoger
Dek de tafel met damast
En wel in ’t wit
Borden voorverwarmen
Bestek van zilver keurig gepoetst
In alle soorten én netjes in ’t gelid
Servet in de ring
Glazen in diverse soorten
Van flonkerend kristal
Coolers voor de wijn, champagne
Kaarsen in de kandelaar
Én … ondertussen
Is het eten beet of half gaar
De gasten schuiven volgens tafelschikking aan
De kledingcode:
Casual of naar believen chique
Het restaurant heeft sterren
Èn de ligging is uniek
De ober buigt en gaat serveren
Men begint
Te eten
Te schransen
Te schaften
Te slempen
Te bikken
Te zwelgen
Te buffelen
Te smikkelen
Te smullen
Te bunkeren
Te peuzelen
Te kanen …
Te dineren
.
Afijn:
Mijn taak als Topkok zit erop
Eet u allen smakelijk
Ik, ik ga hem smeren
En!!
Tussen ons gezegd
’t is geen geheim
U mag het allen weten
Ik! …
Ik ga lekker
Bij mijn moeder eten!
.




















