Site-archief
Dichter voor dichter
Anton Korteweg
.
Een van de laatste keren dat ik live dichters hoorde voordragen was in Leiden. Dat was bij de Leidse Poëzienacht. Daar droeg onder andere Anton Korteweg voor en ik moet zeggen, zeer naar mijn genoegen. De poëzie verfijnd en grappig, de voordracht rustig en aangenaam. Nu is bij uitgeverij Meulenhoff de bundel ‘Enfin’ verschenen. Vijftig jaar na zijn debuut een nieuwe bundel met vijftig gedichten ter ere van dit jubileumjaar.
Korteweg (1944) debuteerde in 1968 in het literair tijdschrift Tirade en in 1971 met de bundel ‘Niks geen Romantic Agony’. Zijn poëzie werd aanvankelijk gekenmerkt door de beschrijving van kleine alledaagse gebeurtenissen en de melancholische gevoelens waaraan deze appelleren. Daarbij speelt de ironisering van deze gevoelens een rol die bereikt wordt door dubbelzinnig taalgebruik en toespelingen op verheven onderwerpen in een alledaagse context. Korteweg was jarenlang conservator van het Lettrkundig museum, hij verzorgde bloemlezingen en was poëzierecensent.
En nu is er dan zijn jubileumbundel ‘Enfin’ waarin ik een gedicht tegen kwam dat hij schreef voor een andere dichter Luuk Gruwez. En hoewel de categorie getiteld is ‘dichters over dichters’ kun je in het gedicht wel degelijk lezen dat het hier over een andere dichter gaat.
.
Leve de poëzie!
(voor Luuk Gruwez)
.
Of ’t nou bij meneer Tintel was op ’t gym
-mijn leraar Nederlands in Dordt met maar een arm-
of in de bloemlezing Dichters van dezen tijd,
als knaap was ik verrukt: beminde je een vrouw,
ontkwam je aan de dood en werd je even
weggerukt uit het aards bestaan. Net wat ik wou.
Ed. Hoornik kon na dit verrukkelijk perspectief
als favoriete dichter niet meer stuk;
dat kwam ook door zijn kleine dochter van Jaïrus,
van wie het dode haar een tijdje zonder zwier was.
.
Een jaar of vijftien later, pasgetrouwd, las ik
bij een gerespecteerd collega, ‘k zeg niet wie
over een voelspriet in een warme schacht
gretig de lust van de geslachten aftastend
tot aan het oerslijm. ‘k Kreeg het Spaans benauwd
en dankte God: ik had al nageslacht.
.
Sylvia Plath
The Couriers
.
Regelmatig neem ik een dichtbundel uit mijn kast en soms word ik verrast omdat ik vergeten was dat ik de bundel in mijn bezit had. Als je zoals ik, ruim 10 meter poëzie hebt staan is het niet zo vreemd dat je weleens vergeet wat je allemaal hebt. Misschien toch eens, als ik er de tijd voor heb, maar ja wanneer is dat?, de boel eens op dichtersnaam rangschikken.Nou ja dat komt wel een keer. Tot die tijd laat ik me gewoon verrassen door de bundels die ik in bezit blijk te hebben.
Vandaag was het ‘Ariel’ van Sylvia Plath uit 1968 waar mijn oog op viel. (1932 – 1963). Ik was pas drie weken oud toen Sylvia Plath een einde aan haar leven maakte en nog steeds is deze Amerikaanse dichter een veel en graag gelezen dichter. Haar tweede bundel ‘Ariel’ is misschien wel de bekendste omdat ze een breuk met haar eerdere werk markeren. De bundel heeft een zeer dramatische uitwerking, vooral door de uiterst oprechte en intieme beschrijvingen van Sylvia’s psychische gesteldheid en de autobiografische gedichten.
Een van die gedichten (het tweede in de bundel) is ‘The Couriers’ en dat gedicht wil ik vandaag graag hier met jullie delen. Geen makkelijk gedicht, ik kwam vele beschrijvingen tegen waarin de schrijvers hun frustratie uitten over de complexiteit van dit gedicht, maar ook een van Jon Rosenblath die denk ik de sleutel heeft gevonden. Hij schrijft: “Ik geloof dat de eerste drie strofen symbolen van het huwelijksleven vertegenwoordigen, en de volgende drie tegensymbolen die liefde vertegenwoordigen die niet wordt gehinderd door huiselijkheid. De koeriers, die (volgens hem) de andere poëzie van Plath vertegenwoordigen, adviseren de lezer om de eerste reeks symbolen te verwerpen en bieden beelden van een uitdagender leven, maar een met grotere integriteit.” Oordeel zelf zeg ik.
.
The Couriers
.
The word of a snail on the plate of a leaf?
It is not mine. Do not accept it.
.
Acetic acid in a sealed tin?
Do not accept it. It is not genuine.
.
A ring of gold with the sun in it?
Lies. Lies and a grief.
.
Frost on a leaf, the immaculate
Cauldron, talking and crackling
.
All to itself on top of each
Of nine black Alps.
.
A disturbance in mirrors,
The sea shattering its grey one–
.
Love, love, my season.
.
Brief uit Rotterdam
Mischa de Vreede
.
Schrijfster Mischa de Vreede (1936 – 2020) schreef vele romans, autobiografische boeken, kinderboeken en poëzie. En opnieuw een schrijfster waarvan ik ontdek dat ze ooit debuteerde met een poëziebundel. In 1957 debuteerde De Vreede als dichteres in het driemansbundeltje ‘Morgen mooi weer maken. In 1959 ontving zij de Herman Gorterprijs (voorheen Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam) voor het gedicht ‘Een jong meisje droomt’ uit de bundel ‘Met huid en hand’ (poëziereeks De Windroos) uit 1959. In 1968 verscheen een tweede bundel ‘Binnen en buiten’. Na een selectie uit deze twee bundels die in 1985 verscheen onder de titel ‘In plaats van praten’ verscheen uiteindelijk pas in 2001 een laatste dichtbundel met de titel ‘Zeestenen’.
In haar debuutbundel ‘Met huid en hand’ staat het gedicht ‘Brief uit Rotterdam’. Een gedicht uit een tijd toen er nog wel eens een brief geschreven werd (wie doet dat nog, wie ontvangt er nog weleens een brief?).
.
Brief uit Rotterdam
.
vrienden
waar ik mij bergen moet
weet ik niet
.
nacht
wordt het hier nooit
ontoegankelijk
blijft de hemel
blauw
.
in de wonden
van de stad
staat een koud soort water
.
redt mij
.
Partijtje worstelen
Revolver
.
In een klein Vlaams dorpje onder de rook van Antwerpen kocht ik in een kringloopwinkel twee exemplaren van het tijdschrift ‘Revolver’. Ik kende het tijdschrift niet maar na enig speurwerk blijkt dit driemaandelijkse tijdschrift verschenen te zijn tussen 1968 en 2009. Verantwoordelijk uitgever was Gerd Segers en mijn exemplaren zijn uit 1994 en 1995. De prijs voor een jaarabonnement was toen 850 respectievelijk 900 Belgische Franc (zo’n 45 gulden voor 4 nummers) en daarvoor kreeg je wel waar voor je geld.
In Revolver 20/3 (1994) Poetry on the road, of Revolver gaat op reis naar Rotterdam (Poetry International). In dat nummer poëzie van Leo Vroman, Herman de Coninck, Lars Gustafsson, Jack Mapanje, Eva Gerlach, Leonard Nolens, Joachim Sartorius en Kazuko Shiraishi. In de oorspronkelijke taal (wanneer niet Nederlands) en in vertaling.
Ik koos voor een gedicht van dichter Jack Mapanje (1944) uit Malawi met het gedicht ‘Partrijtje worstelen’ in een vertaling van Daan Bronkhorst.
.
Partijtje worstelen
.
Dus zoon
de volgende keer als je
weer dier speelt op het zand,
speel geen hyena meegesleurd
door de leeuw, speel
liever de leeuw,
zonodig
sleur je hem mee
doe de hyena die
de leeuw heeft gedood
en als hij gromt
zeg hem dan dat het maar
een spel is – beestenspel
jullie zijn mensen en
de volgende keer is hij
sowieso aanvoerder
in kippenstelen
varkensbloedtappen
en zulk vermaak.
dit was het laatste
partijtje
worstelen!
.
First Poem Piece
Bruce Nauman
.
In het Stedelijk Museum in Amsterdam is momenteel een tentoonstelling te zien van het werk van Bruce Nauman (1941). Deze tentoonstelling bestaat uit een dwarsdoorsnede van deze Amerikaanse kunstenaar. Nauman hoeft geen onbekende kunstenaar te zijn want werk van zijn hand is in verschillende Nederlandse musea (Kröller-Müller museum, Bonnefanten museum, van Abbe museum, Stedelijk museum) te zien. Hoewel er veel videokunst is te zien (aardig maar ik vond het niet bijzonder) is er ook voldoende beeldend werk te bewonderen, waaronder het werk ‘First Poem Piece’.
Bij ‘First Poem Piece’ staat als verklaring: “Dit werk bestaat uit een vierkante stalen plaat waarop Nauman in rasters en regels zinnen heeft geëtst, een eerste gedicht zeg maar. In elke nieuwe regel is een woord weggelaten, waardoor de betekenis van de zin verandert. De lichtheid van de tekst die steeds verdwijnt staat in contrast met de fysieke aanwezigheid van de meer dan 250 kilo zware plaat.”
De regel luidt: You may not want to be here, maar in de twee laatste regels verandert Nauman het woord here, voor hear (hier voor horen) waardoor het gedicht extra lading krijgt.
Het werk komt uit de collectie van Martin en Mia Visser. Zij hebben op basis van een tekening (zie hieronder) dit sculptuur door Nauman laten uitvoeren.
.
Je werkt nu zelfstandig
Paul Bogaert
.
Ik zal niet beweren dat dichters alwetend zijn (dat zijn ze namelijk niet) maar soms lees ik een gedicht en dan twijfel ik, heel even. Lezend in de bundel ‘de Slalom soft’ uit 2009, van de Vlaamse dichter Paul Bogaert (1968) kwam ik het gedicht ‘Je werkt nu zelfstandig’ tegen. Het lijkt alsof verschillende regels regelracht verwijzen naar de huidige werksituatie van veel mensen die gedwongen thuis werken “wie lange tijd niets inzingt, zakt weg” en “Je profileert ondertussen door veel te bestellen”, dat laatste waarschijnlijk meer onbewust dan bewust. Uiteraard gaat dit gedicht over hoe je als mens en gebruiker van internet en computersystemen gevolgd wordt (en geleefd) maar met een schuin oog gaat dit gedicht over veel mensen in hun huidige situatie.
Paul Bogaert studeerde Germaanse filologie aan de universiteiten van Brussel en Leuven. Hij debuteerde in 1996 met de bundel ‘WELCOME HYGIENE’ waarvoor hij de Prijs voor Letterkunde Poëzie van de provincie Vlaams-Brabant 1997 kreeg. Hij schreef ook het gedichtendagessay 2008 (Verwondingen). Zijn eerste drie dichtbundels staan integraal op zijn website https://www.paulbogaert.be/gedichten/bundels/.
In oktober 2010 werd hij genomineerd voor de VSB Poëzieprijs, de belangrijkste poëzieprijs van de Nederlanden. In 2011 kreeg Paul Bogaert de driejaarlijkse Vlaamse Cultuurprijs Poëzie voor zijn bundel ‘de Slalom soft’; de bundel waarmee hij ook de Herman de Coninckprijs won in 2010. Uit deze bundel dus het gedicht ‘Je werkt nu zelfstandig’.
.
Je werkt nu zelfstandig
.
Je werkt nu zelfstandig en uit eigen beweging
aan je gegevens en zodoende word je levenslang
met de database intiem,
door de input beroest en door scores gekust.
Je verbetert/bevestigt wat afwijkt
als dat wordt gevraagd.
Wie niets gelooft of
wie lange tijd niets inzingt,
zakt weg.
Je profileert ondertussen door veel te bestellen.
Je kunt jezelf onmogelijk als dood aanvinken.
Er is een persoonlijk invulveld voor twijfels.
.
Gedicht over een bibliotheek
Tracey Herd
.
De in Dundee (Schotland) geboren dichter Tracey Herd (1968) debuteerde in 1995 met de bundel ‘No Hiding Place’ die meteen op de shortlist kwam van de Forward Prize. Voor haar debuut was ze al gepubliceerd in een aantal bloemlezingen zoals ‘New Women Poets’ uit 1990 en ‘The Gregory Anthology 1991-1993’. Herd studeerde Engelse en Amerikaanse studies aan de universiteit van Dundee. Van 2009 tot 2011 was Herd een Royal Literary Fund Fellow aan de Dundee University en ze is momenteel een Royal Literary Fund Lector aldaar.
Een van de grote passies van Herd is paardenrennen. Haar eerste gedicht werd gepubliceerd in ‘Pacemaker’, een tijdschrift voor het fokken van paarden, en ze heeft online beoordelingen en overlijdensberichten geschreven van paarden die ze bewondert. De poëzie van Herd wordt beschreven als ‘onschuldig huiselijk’ en ‘donker seksueel’. De Australische dichter, criticus en essayist John Kinsella omschrijft haar werk als ‘riskant en uitdagend’.
Op zoek naar een gedicht van haar hand kwam ik het gedicht ‘Library’ tegen en je begrijpt dat ik dat gedicht hier met je wil delen.
.
Library
.
When he’s away she doesn’t like it much,
Pushing the reheated food around the plate,
The big, brass key rigid in the lock
Which she’ll go back three times
To check before turning off the radio
And taking the water-glass to bed.
.
Christie, Sayers, Marsh are sitting
Well-mannered on the shelf
Pushed in tight to keep
Their suave murderers inside,
Their victims choked cries unheard.
.
She turns over onto her other side
Pushing the pillows forward, back,
Thinking of the spinster pulling weeds
And tidying the tubs in her well-tended
Garden in St. Mary Mead, between murders
As it were, but soon will come
The poison pen, the bullet in the dark
That could have been blindly fired
When the house’s lights went out
But was only ever meant for one.
.
kleine tietjes
Ilja Leonard Pfeijffer
.
Een dichter waar ik regelmatig aandacht aan besteed, maar dan niet als dichter, maar als samensteller van de dikke verzamelbundel ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ de canon van de Europese poëzie (samen met Gert Jan de Vries) is Ilja Leonard Pfeijffer (1968). Deze dichter en schrijver is de laatste jaren voornamelijk in beeld als schrijver van zeer succesvolle romans als ‘La Superba’ en ‘Grand Hotel Europa’. Als dichter is hij bij het grote publiek minder bekend maar onder de liefhebbers en lezers van poëzie wel degelijk.
In 2008 verscheen de bundel ‘De man van vele manieren’ verzamelde gedichten 1998-2008 (uit zijn eerste vier bundels). In deze bundel staat het gedicht dat om verschillende redenen mij kan bekoren getiteld ‘kleine tietjes…’.
.
kleine tietjes…
.
kleine tietjes in een strak
regime van petieterigheid met een rokje
wat moet je ermee Ilja?
.
wil je haar soms downloaden
voor je collectie? o ze stapt al op
gelukkig maar
.
zwarte laarzen ook
.
je wilt niet thuis zijn en ook niet naar buiten
en in geen geval kinderen
.
ja rome ach rome
.
dat ligt ook steeds verder weg
.
Auto
Willem van Toorn
.
In 1960 debuteerde dichter, romanschrijver en vertaler Willem van Toorn (1935) met de dichtbundel ‘Terug in het dorp’ (in 1959 was zijn formele debuut met de novelle ‘De explosie’). Inmiddels zijn we vele publicaties (waaronder 13 dichtbundels) verder maar was zijn laatste dichtbundel inmiddels alweer uit 2009 (‘De hofreis’). De poëzie van Willem van Toorn dreigt zo wat in de vergetelheid te raken terwijl het zo’n bijzonder dichter is. Zijn gedichten zijn doortrokken van een liefdevolle ironie waarbij het thema (on)zekerheid centraal staat. In het gedicht ‘Auto’ uit de bundel ‘Landschap voor een dode meneer’ uit 1968 staat het gedicht ‘Auto’ waarin de auto bijna menselijke eigenschappen krijgt toebedeeld door Willem van Toorn.
.
Auto
.
De auto scheidt wegen af
uit zijn achtereind, talloze meters
landschap verteerd tot verleden
verbruikt asfalt, uitlaatgas.
.
Meedogenloos, achter glas,
zien wij de kijkende levens
van boeren met zondags gesteven
gebaren, van koeien, van gras-
.
groene graasdorpen één
tel lang bestaan en dan bijt de
snelheid hen tot op het been
kaal en zij glijden als lijken
bleek van het netvlies. Luid
braakt de uitlaat hen uit.
.















