Site-archief

Voor Victor van Vriesland

Michel van der Plas

.

In de categorie Dichter over dichter vandaag een gedicht van dichter, schrijver, journalist, vertaler, tekstschrijver en samensteller van bloemlezingen Michel van der Plas (1927-2013) over dichter, criticus, vertaler en voorzitter van de (internationale) PEN-club Victor van Vriesland (1892-1974).

Van Vriesland bezocht het Gymnasium Haganum aan de Laan van Meerdervoort in Den Haag, dat toen nog Eerste Stedelijk Gymnasium heette. Daar kwam hij in aanraking met de literatuur en raakte hij onder meer bevriend met Martinus Nijhoff. Hij maakte er kennis met het werk van de Franse auteurs André Gide en Paul Valéry. Sterk beïnvloed door de poëzie van laatstgenoemde publiceerde Van Vriesland reeds op jeugdige leeftijd gedichten in Verweys tijdschrift De Beweging.

Michel van der Plas debuteerde in 1947 met de bundel ‘Going my way’ en vertalingen van Engelse poëzie. Hij had een voorkeur voor sonnetten en sloot daarbij aan bij een eerdere dichtkunst, die in de jaren 1950 werd overvleugeld door de vrije regelval van de ‘Vijftigers’. Toch heeft hij deze dichtvorm nooit vaarwel gezegd. Naast dichter was hij vooral bekend als tekstschrijver voor het cabaret van onder andere Wim Zonneveld, Gerard Cox en Wim Kan.

In zijn debuutbundel ‘Going my way’ is een gedicht opgenomen dat hij voor Victor van Vriesland schreef.

.

MOET men niet oud zijn, levend van zijn wijsheid,

moet men de open bedelhand der jeugd niet

hebben gesloten, bruusk misschien, vol weerzin,

misschien gelaten,

.

om de zo grootse rijkdom te verdienen

dat men een zoon mag heffen in zijn handen:

hoog, als de droom die eeuwig bleef toen bijna

elke droom dood was?

.

Rijkdom der wijsheid, nimmer zal een kind u

zó leren kennen, als in de ogen van de

man die zijn dagen keuren kan als vruchten

zonder te proeven.

.

Schoon is de morgen als hij met zijn kind de

nachten uittreedt van bitterheid, o, schoon is

alles als men het leven juichend draagt in

Simeonshanden.

.

 

Sonnet 23

Voor jou en jou alleen

.

Enige tijd geleden schreef ik al over de bundel ‘Voor jou en jou alleen‘, Shakespeare (1564-1616) de sonnetten, vertaald door Frans van Deursen (1962). Ik was al onder de indruk van de frisse en brutale vertaling van de 154 sonnetten door Frans, die bij zijn vertaling respect toont voor de vorm en inhoud van de originele sonnetten. Uiteraard hoor ik je denken, minder dan dat verdient het werk van Shakespeare niet, maar Frans heeft er echt zijn ziel en zaligheid in gelegd.

Ik deelde al een keer sonnet 21 maar nu ik deze bundel ook daadwerkelijk in bezit heb (gekregen van de goede Sint) deel ik graag een sonnet dat begint met ‘Een klein acteur’. Ik vermoed dat Frans bij het vertalen van sonnet 23 smakelijk heeft gelachen om dit begin.

.

23

.

Een klein acteur, door plankenkoorts verlamd,

onthoudt geen regel tekst en mist zijn wacht.

Een beest dat zat van woede gromt en gramt

boet, door zich op te blazen, in aan kracht.

Ook ik vergeet (daar mij de moed ontbreekt)

de tekst die liefdes rite ons dicteert

en voel, als liefdes drift de kop opsteekt,

hoezeer mijn liefdes macht mijn welzijn deert.

O geef mijn schrijfsels dan het hoogste woord!

Als zwijgende vertolkers van mijn hart

bepleiten zij dat liefde wordt gehoord,

en met meer zeggingskracht dan menig bard.

Dus lees! Leer van mijn liefdes stil betoog:

de ware liefde luistert met het oog.

.

Monobiblos

Daniel Heinsius

.

Poëzie vertaald uit het Latijn is een niche binnen de niche die poëzie op zichzelf al is (binnen de literatuur) maar dat wil niet zeggen dat er niet te genieten valt van vertalingen van poëzie uit het Latijn (tenzij je tot dat kleine groepje mensen behoort die het Latijn machtig is en geen vertaling nodig hebt). Dat er genoeg te genieten is van vertaalde poëzie uit het Latijn laat Harm-Jan van Dam zien in de bundel ‘Monobiblos’ uitgegeven door uitgeverij P in juni van 2025.

Harm-Jan Van Dam (1948)  is emeritus hoofddocent Latijn aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en gespecialiseerd in Latijnse poëzie, antieke en Neolatijnse  (uit de zestiende en zeventiende eeuw). Hij was tevens lid van de redactie van het tijdschrift Filter, tijdschrift over vertalen en is zelf dichter..
Harm-Jan van Dam vertaalde eerder onder meer Erasmus’ ‘De lof der zotheid’ en, naar het Latijn, het zeer geprezen ‘Jippus et Jannica’, een aantal verhaaltjes uit Annie M.G. Schmidts Jip en Janneke.

In ‘Monobiblos’ (wat ‘enkel of afzonderlijk boek’ betekent) vertaalde Van Dam liefdespoëzie van van de Vlaamse Daniel Heyns of zoals hij bekend was Daniel Heinsius (1580-1655) naar het hedendaags Nederlands. Daniel Heinsius geldt als de belangrijkste Latijnse dichter van de Lage Landen uit die tijd. Hij schreef ook gedichten in het Oudgrieks en Nederlands en hij was hoogleraar aan de Leidse universiteit. Hij is echter vooral beroemd geworden door zijn Latijnse liefdespoëzie. De gedichten die van Dam voor deze bundel vertaalde zette Heinsius destijds al apart van zijn andere poëzie onder de titel Monobiblos vanwege het aparte, vrijgevochten karakter dat hij eraan toekende. In de bundel zijn naast de vertaalde gedichten ook de gedichten in het Latijn opgenomen, zeer uitgebreide aantekeningen en een uitleiding door de vertaler.

Voor de lezer in de 21ste eeuw mag het allemaal desondanks wat zoet overkomen, er wordt vooral oneindig veel gezoend in de 13 elegieën (in dit geval wordt hier geen klaagzang bedoeld maar er wordt verwezen naar de metrische vorm én de inhoud; gedichten waarin de dichter zijn persoonlijke leven centraal stelt) maar probeer desondanks maar eens onbewogen te blijven onder de inhoud en de zeer bloemrijke taal van Heinsius. Uit de 13 elegieën koos ik voor elegie 4 waarin een licht erotische toon doorklinkt.

.

Elegie 4

.

In dit geheime woud stroomt voor de grot een beekje,

verkwikkend streelt zijn frisse water hier de grond,

zacht begeleidt een briesje de nabije nimfen

en laat bomen ruisen vol van zoel gezucht,

de takken trillen, appels blijven even hangen

en vallen dan toch zonder schudden in mijn schoot,

die. roodgespikkeld, lijken op jouw kleine tepels,

Rossa, wanneer ze trillen op je meisjesborst,

je hemdje eromheen een kleine welving geven

en voor het eerst een beetje wulps zijn als je danst.

.

Liefste, kom hier: kijk, de laurier laat zijn blad vallen

en spreidt beminnelijk ons bed hier op de grond,

dichtbij het kleine stroompje met zijn lichtgroen water,

de bron die uit het mos opborrelt waar hij woont

en met zijn bruisen de lauwlome slaap laat komen

vol fantasieën over levendig plezier,

totdat de slaap je hals loom maakt en daarna langzaam

je geest bedwelmd raakt en door zoete dromen dwaalt,

je ogen vochtig wegdraaien, je ademhaling

wegvliegt vanuit de verste diepten van je borst

tot in mijn hart en het merg van mijn verhitte botten

en ik bewust je ziel met volle teugen drink.

Dit nieuwe medicijn tegen verflauwde hartstocht

nemen wij in. Laat Amor het tevreden zien;

een reiziger mag schuw en zuchtend naar ons kijkend

spontaan de reis opschorten die hij had bedacht,

totdat de Avondster vanuit zijn gouden poorten

ons stervend in lauwlome liefkozing betrapt.

.

Villon vervolgd

Rondeel

.

Vandaag sta ik voor mij boekenkast en pakte ik, zonder te kijken, de bundel ‘Villon vervolgd’ Bargoense en apocriefe verzen van François Villon Nederlands van Ernst van Altena, uitgegeven 1985. Voor de oorspronkelijke vertaling van de ‘Verzamelde gedichten’ van François Villon ontving Ernst van Altena in 1965 de Martinus Nijhoffprijs voor de beste vertaling. In deze heruitgave uit 1985 zijn ook de 12 balladen in het Bargoens of roverlatijn toegevoegd.

Ik opende de bundel zonder te kijken en kwam op pagina 119 uit en daar staat het gedicht ‘VI. Rondeel’ waarin François Villon (1431/1432 – na 1463)  zijn liefde (en de daarbij behorende frustratie wanneer die liefde niet wordt beantwoord) voor een onbereikbare vrouw beschrijft.

.

VI. Rondeel

.

Als liefde dit is, kan ’t mij niet bekoren;

Ik dien een vrouw die hoogst welgeboren

bevredigen zou aan hof of kanselarij.

En ik bemin haar zeer, maar niet zij mij.

Dies roem ik haar hier niet met rode oren.

.

Hoezeer haar lijf in schoonheid ook mag gloren,

mijn ode aan haar dien ik hier nu te smoren,

neem ’t me niet kwalijk, maar het is voorbij:

als liefde dit is, kan ’t mij niet bekoren.

.

Als ik haar zeg, dat ik slechts naar behoren

met hart en ziel aan haar wil toebehoren,

wijst ze me af en zonder medelij.

Dus weet ik wat te doen nu met die prij:

ze raakt mijn spel en erewoord verloren.

Als liefde dit is, kan ’t mij niet bekoren.

.

Terras

Litouwse dichter

.

Terras is een hedendaags tijdschrift voor internationale literatuur met een eigen stijl en een goed oog voor nieuwe ontwikkelingen. In Terras vind je bekende en onbekende literatuur van hoge kwaliteit. Terras houdt de lezer scherp en betrokken. Zo presenteert het literair tijdschrift Terras (dat opereert in het voetspoor van het roemruchte tijdschrift Raster) zich.

Terras wordt gemaakt door dichters, schrijvers en vertalers met een internationaal netwerk. Als platform voor vertaalde literatuur werkt Terras samen met getalenteerde vertalers die het een kans biedt en kritisch begeleidt. Terras legt de nadruk op literatuur die nog niet ontdekt is maar wel de moeite van het ontdekken waard. Het tijdschrift opereert hierin als pionier.

Die laatste dingen die het tijdschrift over zichzelf zegt kans bieden, niet ontdekte literatuur, als pionier opereren) dat gaat zeker op voor de poëzie die men plaatst. Zoals in het laatste nummer met als thema ‘The Baltic Way’ waarin schrijvers en dichters uit de Baltische staten zijn opgenomen (Estland, Letland en Litouwen).  Ik ben dit jaar in Estland en Letland geweest (en een paar jaar geleden in Litouwen) en het literaire landschap is daar breed. In de eigen taal maar ook zeker nog in het Russisch daar in alle drie de landen nog grote groepen etnische Russen wonen.

Uit het laatste nummer (#27) koos ik een gedicht van Giedré Kazlauskaité in een vertaling van Anita van der Molen. Giedrė Kazlauskaitė (1980) studeerde Litouwse literatuur aan de Universiteit van Vilnius en publiceerde vijf dichtbundels, waarmee ze de Jonge Jotvingian Prijs, de Jurga Ivanauskaitė Prijs, de Schrijversbond Prijs en de Prijs voor het Creatiefste Boek van het Jaar won. Ze is redacteur van het wekelijkse culturele tijdschrift Šiaurės atėnai (Athene van het noorden) en tevens een van de weinige LGBTQ-dichters in Litouwen.

.

Pioenroosextract

.

je borsten zijn net vossensnuitjes,

nieuwsgierig opduikend uit hun hol,

waar de kat ze kan verschalken.

.

De stad, die alles gadeslaat

en met afvalsporen is bezaaid,

luistert met gespitste oren.

.

Ik pak je beet bij je bloem.

Haar extract kan angst verzachten.

.

Wij samen met een legioen narcissen.

Roze flamingos’s op jouw slippers.

.

Er zijn schelpen die niet meer ruisen-

kapotgeslagen, losgescheurd.

.

We haken met onze nagels in elkaars kern,

bevreesd om bolsterloos verder te keven.

.

Jij bent geniaal en ik ben geniaal – zong Zemfira

voor mij en voor jou.

.

Als de almacht van de fantasie niet zou bestaan

waren we niets meer dan miljarden gebroken cimbalen

.

In de Melkweg.

.

Regen tegen de ochtend

Liter

.

In de rubriek Vers vertaald in het literaire tijdschrift Liter (nummer 18, 2025) is een gedicht van Elisabeth Bishop vertaald door Jacqueline Vorst. Deze rubriek wordt ingeleid met de zinnen: Robert Frost zei ooit dat poëzie een manier is om het leven bij de keel te grijpen. Vorst vertaalde het gedicht van Bishop dat voor het eerst werd gepubliceerd in Partisan review in 1951

.

De grote kooi van licht breekt buiten door

en laat, denk ik, een miljoen vogels vrij ,

hun opvliegdne schaduw zijn we kwijt

en alle spijlen blijken weg te zijn gevallen.

Geen kooi, geen boze vogels, en de regen lijkt

al lichter nu. Het is een wit gezicht

dat niet begreep waarom hier iets op slot zat,

dat met een kus alles opeens heeft opgelost,

met sproeten op haar lichte argeloze handen.

.

Focus

Bernard Wesseling

.

Nadat ik de bundel ‘Focus’ kocht van schrijver, dichter, slammer en vertaler Bernard Wesseling (1978) ben ik op zoek gegaan naar meer informatie over deze dichter. Mijn eerste bevinding was dat ‘Focus’ uit 2006 de C. Buddingh’ prijs (prijs voor het beste poëziedebuut) won in 2007.  Daarna volgden de bundels: ‘Naar de daken’ (2012) die genomineerd werd voor de J.C. Bloem-prijs en’& de dag ligt open als een ei in zijn gebroken schaal’ uit 2016. Zijn laatste dichtbundel ‘Ontkrachtingen en affirmaties’ verscheen in 2024. Naast zijn dichtwerk schreef Wesseling een aantal romans.

Zijn poëzie is vertaald in het Frans, Grieks en Spaans. Hij vertaalt poëzie en proza (vaak samen met punkrocker Jan de Nijs) vanuit het Engels. In de bundel ‘Focus’  klinkt een koortsige stem die vat probeert te krijgen op de chaos in de wereld. Want wat de een verdraagt is de ander te veel. Dat blijkt uit de bijzondere mix van onderwerpen en thema’s in de bundel, zijn vocabulaire, is zeer hedendaags en in de greep van een alomtegenwoordige beeldcultuur. In een recensie wordt dit debuut benoemd als een koortsig, bezwerend poëziedebuut van een groot talent.

Uit de bundel koos ik het gedicht ‘Zen & de kunst van weten wanneer je te veel bent’.

.

Zen & de kunst van weten wanneer je te veel bent

.

Wie in een vulkaangod gelooft denkt twee keer na

voordat hij de grond onder kwat want hij weet

lava kruipt waar het niet kan komen

.

Het is deze steeg, deze engte heeft iets weg van een trechter

mijn blaas steegvormig

.

Een agent die voor agent speelt laat me afknijpen

wat ik ervan geleerd heb

incasseren

.

Ik bel mijn enige zus en spreek het uit:

je bent een prachtmens

en ik meen het ik meen altijd alles dus

waarom dit niet

.

Tegen de hond die ik niet heb: kop dicht mormel!

voordat hij begint te blaffen want die stuurloze herder is echt

.

Mijn laatste Lucky

wat een junk met succes moet weet ik ook niet

.

 

Esthetiek van de baviaan

Maria Bochicchio

.

In het laatste nummer van Deus ex Machina met als thema Moedertaal. lees ik poëzie van de Italiaanse dichter Maria Bochicchio (1987) is een Italiaanse schrijver en dichter en woonachtig in België. Ze studeerde moderne literatuur en is auteur van de roman Cazzamala (2020) en de dichtbundel ‘Accùra, complementi d’arredo’ (2022). Haar werk is verschenen in bloemlezingen, blogs en literaire tijdschriften – van La Repubblica tot Corriere della Sera , naast Ellin Selae, Poesia del Nostro Tempo en vele andere.

Ze is onderzoeker gespecialiseerd in literatuurwetenschap en dan met name de Portugese en Italiaanse literatuur. Haar expertise ligt bij filologie, linguïstiek, vertalen en tekstkritiek. Voor Deus ex Machina vertaalde ze zelf een aantal van haar gedichten. Ik koos er een van zonder titel.

.

de maag

de ingewanden

het vlees

.

het onzichtbare werk van je botten

levert aan de woestijn

zijn eerste doorn

.

het waakt

op het ritme van de trommels

het open hart van een pad

.

je ziel verslindt de aarde

wachtend op een gebaar,

je zit waar de wind spreekt.

.

 

Yo! de liefde

Maria van Daalen

.

Over de schrijver en dichter Maria van Daalen (1950) schreef ik al een aantal malen. Over een bijdrage die ze schreef in ‘Die eeuwige wind‘ (over de Wierde van Wierum in Friesland) uit 2010,  over haar erotische bundel ‘Elektron, muon, tau‘ uit 2000 en over haar werk als vertaler van de poëzie van Dorothy Porter.

Vandaag wil ik een mooi liefdesgedicht met een licht erotische ondertoon van Maria (pseudoniem van Maria Machelina de Rooij) met jullie delen. Omdat het alweer even geleden is en omdat het altijd een goed moment is om een liefdesgedicht te lezen. Uit haar bundel ‘Yo! de liefde’ uit 2003 komt het gedicht ‘Opening’.

.

Opening

.

Het langzame ballet van twee lichamen

in bed, je hand onderzoekt mijn borst, je kust

de tepel, je zucht, legt je voorhoofd rustig

tegen mijn borstbeen, mijn hart, we zijn samen

.

voorzichtig op zoek naar liefde, een drama

in één bedrijf, steeds hetzelfde toegerust

maar nieuwe benaderingen, intussen

geef je wankel koningsgambiet aan dame.

.

Je zoekt veiligheid als je onder me ligt,

als ik over je heen welf, warm en levend,

mijn tepel raakt je lippen, mijn hand steunt je.

.

Ben je bij me? In mijn ogen, jouw gezicht.

Ik til je hoofd omhoog. Daar gaan we, zwevend.

Je bijt in mijn onderarm, en dan kreun je.

.

Crematie

Robinson Jeffers

.

Vandaag voor mijn boekenkast pakte ik, zonder te kijken, de bundel ‘Een boek van wondere dingen’ van een plank. Deze bundel uit 2018 heeft als ondertitel ‘Poëzie die inspireert, troost, ontroert’ en is samengesteld door Daan Bronkhorst voor uitgeverij De Geus en Amnesty International. Opnieuw zonder te kijken opende ik de bundel op pagina 199 waar het gedicht ‘Crematie’ staat van de Amerikaanse dichter Robinson Jeffers (1887-1962). Het gedicht verscheen oorspronkelijk in ‘The Collected Poetry’ in 1995 en dit gedicht werd vertaald door Ellen Nieuwenhuis.

Jeffers was een eigenzinnig man. Hij leefde in een zelfgebouwde hut in de bossen van Californië en zijn populariteit als dichter leed onder zijn standpunt dat de Verenigde Staten niet moest deelnemen aan de Tweede Wereldoorlog. Hij muntte het woord ‘inhumanisme’ om uit te drukken dat mensen te egoïstisch zijn om de ‘verbijsterende schoonheid van de dingen’ te waarderen.

.

Crematie

.

Het do0et bijna mijn angst voor de dood teniet, zei mijn dier-

baarste,

Als ik aan crematie denk. Te rotten in de aarde

Is een weerzinwekkend einde, maar om te brullen in de vlam-

men – daar ben ik overigens aan gewend.

Ik brandde zo vaak in mijn leven van liefde of woede,

Geen wonder dat mijn lichaam moe is, geen wonder dat het

stervende is.

We hadden veel plezier van mijn lichaam. Verstrooi de as.

.